Zandloper

pseudoniem: Bhajas Men Paul Harland Prijs 2012

1. Laatste wagon langs de Nijl:

Al puffend komt de stoomtrein op gang. Eindbestemming: Luxor. غمط [Ghamet] zit op de grond van de nagenoeg lege wagon. Enkele houten kratten gevuld met zaagsel houden hem gezelschap. De geur van vroeger; de kippen, geiten, koeien en ander vee blijft hangen, ondanks dat hij de laaddeur wagenwijd open heeft gezet. De bedrukkende warmte die nog rest boven de Egyptische zandbak verstikt de gewenste happen zuurstof.

De hoop gevestigd op het blauw van de Nijl — een diepe stroom modder die zich omringt met weelderige plaggen groen, verdorde akkers en de alsmaar oprukkende woestijn — is als de smaragd die in zilver vlechtwerk om zijn nek hangt. De schampere erfenis van zijn grootvader. Dit is alles wat hij heeft van waarde. Hij is bereid het met zijn leven te bevechten. Hem rest alleen nog de verhalen uit zijn vroege jeugd, gezeten op zijn grootvaders knie. Verhalen die hem vervoerden naar oorden waar hij nog nooit was geweest en die zo vertrouwd voelden. Nabij Luxor is zo'n plek.

Als wees werd hij opgevangen door de koptische kerk, maar Ghamet wordt nu als volwassen gezien. De patriarch — een jeugdvriend van zijn grootvader — heeft hem te werk gezet bij een opgraving. Hij kan nu zijn vrijheid gaan kopen.

Ghamet kijkt naar zijn hanger. In de flikkerende zonnestralen weerkaatst een onnavolgbaar diep blauw met twijfels groen en grijs die weer enkele momenten later als doorzichtig verdwijnen. De verdorde palmbomen tussen de uitgestorven en door zandstormen verweerde stenen skeletten razen voorbij, net voorbij de grenzen van de stad. Zijn ogen reflecteren in diezelfde kleuren. Het zilveren vlechtwerk is zo dof en ongepoetst als zijn huid. Het zwart leren koord bungelt tussen de spanning van zijn nek en hand en de vibraties van de wagon.

Over de oude rails dendert de trein door. Met blind vertrouwen dat de laatste kolen voldoende zullen zijn om de reis te maken. Haar prijs is niet meer uitgedrukt in geld, maar in kilo's goud en andere kunstschatten. Het laatste wat ze nog hebben wordt uit onmacht van zelfpreservatie opgegraven en verkocht aan de hoogste bieder. Tenminste, dat wat er nog overblijft na herhaaldelijke pogingen van plunderaars. De stroom toeristen is allang opgedroogd en de aantallen oliebaronnen verminderen sneller dan de restjes olie. Geen Amerikaan of Chinees durft zijn gezicht meer te laten zien, uit vrees voor hun eigen leven of uit schaamte. Perzen zijn de enige buitenlanders die het wagen en die het lukt om te blijven. Ze zijn de enigen die de xenofobie overwinnen. De gehele planeet is in een stille oorlog verwikkeld tussen een paar individuen die alles hebben. Alles inzetten. Alles vernietigen. Ghamet is zoals ieder ander: kansloos verdoemd tot armoede en honger.

Zijn grootvader vertelde over de farao's en priesters die leefden in paleizen en tempels. Hun macht, rijkdom en — als godslasterend ervaren — cultuur, werd overschaduwd door hun wijsheid en respect voor het volk. Zelfs hun slaven werden beter behandeld dan de man van vandaag. Vroeger was het allemaal beter. Dat vertelde zijn grootvader keer op keer, voordat hij afdwaalde en afgaf op zijn buren die respectloos de graven plunderden. Des te vaker zijn grootvader sprak over vroeger, des te vaker hij zich richtte tot الله [Allah]. Zijn grootvader trok zich terug, vijfmaal daags.

Ghamet, te jong om te begrijpen waar zijn grootvader mee bezig was, keerde naar binnen, naar de droomwereld met farao's. Hij kon uren blijven kijken in de blauwe smaragd. De hanger was voor hem heilig. In de worsteling om te overleven deed zijn grootvader alles, maar die was niet te koop. De laatste trots van de drastisch uitgedunde familie was de enige tastbare herinnering aan wie ze vroeger waren. In zijn tweede lente verdwenen zijn ouders, mogelijk vermoord in naam van het schrikbewind uit Caïro.

Een koelere bries voert nieuwe geuren aan. Dode vis en rottende mest vermengen zich met de voorheen tot stof neergeslagen stank van de wagon. Het uitzicht kondigt het lang verwachte water aan. Ghamet draait zijn gezicht naar de openstaande laaddeur, de zon brandt op zijn huid, maar het is beter en langer uit te houden dan op de platte daken in de stad. Vanuit het groene niets doemt een witte driehoek op. Langzaam wordt ze groter. Ze twijfelt of ze bol moet staan of wapperen. De trein komt steeds dichterbij. Dichterbij totdat Ghamet ziet dat het een zeilboot is. Ze vaart op een parelmoeren spiegel: de Nijl.

2. Zonneboot:

"Allah kent meerdere gezichten. Volkeren der aarde noemen hem anders. In de vervlogen tijden noemden we hem '###### [Ra]'; het vrome zonlicht van alles dat Goed was. De farao als zijn vertegenwoordiger en voorbeeld. De mens leefde naar zijn woord."

Dit was altijd al een mantra voor Ghamets grootvader geweest. In de gespreken met de buurjongen waar hij zijn hele jeugd mee door had gebracht veranderde hij deze geregeld. Zeker op latere leeftijd. Als stijlfiguur om over ethische waarden te kunnen spreken: te filosoferen voorbij de grenzen die religies stellen en bevolkingsgroepen van elkaar verwijderen. 'Ra' werd 'God' en de farao werd meestal vervangen door een kerkelijk leider. Van diepere politiek hield hij afstand. Toch bleef deze jeugdvriend hem dierbaar, zelfs toen hij voor het celibaat koos en opklom tot patriarch. Hij bleef als familie; familie in een wereld waar dit een schaars en kostbaar begrip werd.

Het verre verleden was veilig. Een basis die iedereen deelt, zonder een oordeel te vellen over de huidige verhoudingen en problematiek. Toch deelde niemand het echt, niemand verdedigde het zoals ze hun kinderen en dierbaarste bezit beschermen. Het kon als een ideaal worden gezien. Een glimp van een utopia toen er nog wel rechtvaardig en met harde hand de uitgestrekte woestijn werd bestuurd. Alleen de harde hand en de woestijn waren nu nog over.

Ghamets grootvader vertelde duizenden verhalen na verhalen over het oude Egypte: "Gedurende de dag reist Ra de hemel af, met orde en regelmaat in zijn handen, met de stralende waarheid van al dat Goed is. Zijn reis van oost naar west, over de zee der tijd, bevaart hij zoals de farao op de Nijl zijn eigen windstreken regeert tussen hoger- en lager-Egypte. Tijdens zijn reis zien we hem. Hij herinnert ons aan onze plek in het bestaan. Zijn zonneboot neemt hem verder dan de horizon van het leven, voorbij de verste zandduinen."

De ondergaande zon brengt verdere verkoeling. Het gammele rood weerkaatst over de levensader van het land. Het deinende ritme van de wielen van de wagon wiegt Ghamet in een diepere innerlijke wereld, halverwege tussen dagdromen, overpeinzingen, herinneringen en slaap. Vanuit de zinderende afzwakkende ruis vanaf het woestijnzand komen de vreemde geluiden van ver.

"'s Nachts is het echter een ander verhaal. In de duisternis leven de wezens die zich niet meer aan de macht van Ra onderwerpen. Ze kruipen en kronkelen langs de donkerste plekken van ons bestaan: schorpioenen en slangen. ##### [Apep] is de grootste. Zijn lengte overtreft die van de zonneboot. Nomaden in de woestijn zijn als voorgerecht voor hem; hele gezinnen worden verzwolgen in de verraderlijkste uithoeken van het zand. Apep is ook de sluwste en doortraptste. Je zou bijna willen geloven dat hij wijs is. Apep wil het eeuwige leven, een goddelijk bestaan, zich verheffen uit de duisternis en regeren over de Nijldelta. 's Nachts is het oorlog, dan jaagt Apep op de zonneboot van Ra. Zijn verkenners volgen hem. Vooral in de vroegste uren, net voor zonsopkomst, in het diepste blauw dat zich verhult in zwart."

Ghamet schuift de laaddeur nagenoeg dicht. Net genoeg om te kunnen blijven ademen, maar ook meer dan voldoende om de duistere wereld buiten te sluiten en zich veilig te voelen. In het midden van de nacht struinen de plunderaars langs het spoor. Een openstaande wagon is een makkelijk tussendoortje, helemaal met de ruim vertraagde snelheid waarmee de trein verder kruipt over het woestijnzand dat het spoor verzuipt.

"Zoals alles wat #####@# [Setesh] doet in geheimen is omhuld, zo zijn er altijd geruchten geweest dat hij — als verstoten en gevallen god — de zonneboot verdedigt. Het goddelijke in hem bevecht de demonen en doodt ze, om zijn kwaad te voeren met hun duistere magie. In de duisternis doorbreekt de hemel met licht op alle plaatsen waar een djinn is verorberd. De meerderheid aan sterren zijn zichtbaar op de meest gangbare route van de zonneboot aan de nachtelijke hemel."

De woordenwisseling met de patriarch is maar als een vaag silhouet aan de horizon van verhalen die zijn grootvader en nu ook Ghamet achter zich laat. De heiligman was diep in duistere praktijken vervallen: onbetaalbare schulden en alleen de wezen om te gebruiken voor zijn stoelendans. Dat merkte Ghamet ergens ook wel. De leugens, geheimen en bedrog maakten Ghamet tot een slaaf, zonder dat volledig te beseffen. Hij negeerde het. De woorden meer verdreven dan de als maar verdergaande fantasieën van zijn grootvader.

"De piramides van Gizeh verwijzen naar de parelketting van Orion; de plek waar Setesh Apep overwon en al het kwaad in hem opnam. In drie opeenvolgende veldslagen joeg hij de korrels door de zandloper, na het verraad van de verkenners: النطاق [Alnitak], النظام [Alnilam] en منطقة [Mintaka]. Apep stierf in het bloed van de opkomende zon. Ra was hun dankbaar. Ze werden beloond als koningen. Ze rusten nog altijd aan de hemel, met hun graf op aarde. Ra zweeg echter over Setesh. Hij zweeg over het kwaad dat voortleefde in hem."

Het kwaad in ons allen. Een stille fluister over onze schouders. Eén die groeit wanneer je er naar luistert. Eén die de gehele wereld in haar grip houd. Eén die rust voor de storm die hijzelf laat woekeren als oorlog. Een kwaad welke Ghamet ziet in de wereld om hem heen. Dat wat je zelf negeert, maar vanuit de verhalen, van anderen leert: dat wat ze doen.

Zijn grootvader somde geregeld de door kwaad doordrongen verhalen omtrend Setesh op. "De geruchten spreken van de wildste verhalen. Mythen over broedermoord, wraak, veronachtzaming van de soevereine rollen die zijn broer en beide zussen vertegenwoordigen op de machtigste posities van het land en het meest werden vereerd, het feit dat goden dieper vallen dan ijdele mensen, verraad, verleiding door verorbering van het zaad, hoe hij ### [Osiris] in stukken hakte en verspreide over alle uithoeken der aarde om nooit geheel terug te worden gevonden door zijn zus ### [Isis], om er alsnog op magische wijze vanuit hem een kind te verwekken. Uit liefde. Uit de dode grond kwam ### [Horus] — de begeleider van de doden naar de onderwereld — diegene die uiteindelijk Setesh uit zijn duister lijden heeft verlost."

Verhalen als terugkerende nachtmerries, de levenslessen die tijd nodig hebben om begrepen te worden. Ghamets grootvader zat er vol van. Naast een vroom exemplarisch en liefdevol leven en de hanger om zijn nek, daarnaast kon Ghamet zich niet iets anders meer herinneren van wat hij als opvoeding had meegekregen.

"De ware aard van de goden is voor de mens ondoorgrondelijk. We kennen alleen hun rol in de verhalen die we doorvertellen. Ra kent meerdere gezichten. Achter de maskers schuilt meestal hetzelfde licht: handelen vanuit het Goede om te overwinnen in de duisternis... en het spelen van de rol in het epos van de tijd. Zo ook de onderlinge en innerlijke strijd. Alleen het licht overwint."

Ghamet vroeg zich altijd af waarom dat verhaal zo belangrijk was, waarom hij het keer na keer moest aanhoren en het herhaaldelijk in zijn dromen terugkwam.

Na lang diep nadenken antwoordde zijn grootvader op een dag: "Zo'n verhaal geeft je houvast. Een verhaal als zovelen. Een begrenzing tussen Goed en Kwaad, een balans tussen orde en chaos. Het vertelt je wat je kunt verwachten en wat je verantwoordelijkheden zijn. Het is een kader voor ons handelen. Een omlijsting van dat wat we waarnemen. Aan de hand van die kaders bouwen we de werkelijkheid; een wereld waarin wij onze rol spelen."

Zijn grootvader leunde achterover en mompelde: "...en wanneer je de enige bent. De enige die telt. De enige van waarde. In die innerlijke strijd moet je in staat zijn te herkennen dat de hele werkelijkheid in jou zit. Alles wat jij doet, of het nu Goed is..." Daarop volgde een van de zeldzame momenten waarop Ghamets grootvader zweeg en de leegte in keek met tranen in zijn ogen.

3. Schaduw door de doeken:

In het vroegst van de ochtend nadert de trein Luxor. Op laatste krachten kruipt ساعت شنی [Sa'et Shenj] over de rails. Ghamet pakt zijn spullen en springt uit de wagon. Hij kan stapvoets de trein blijven volgen.

Het fijne zand komt tussen zijn tenen omhoog, hij bukt om een hand vol te pakken. Nog voordat hij weer rechtop staat is het merendeel al uit zijn vingers geglipt: de waterval verwaaid met de tellen die verstrijken. Zoals een zandloper bevrijd van het glas. De geluiden van de stad komen hem tegemoet: de handel in alle vroegte, nog voordat de brandende zon zingt met het bakkende zand.

Tussen de eeuwenoude stenen muren werpen halfvergane zeilen een verkwikkende schaduw. De doeken wapperen. Met de streling van de wind pept de ene na de andere marktkoopman zijn stem op om deze vervolgens te verheffen en de vers aangeleverde fruit en kruiden aan te prijzen. De manden lijken gevuld, tot aan de rand. De dadels en vijgen zijn in twee lagen uitgelegd, gedragen op papyrusblad. Alleen hier verstopt de woestijn zichzelf.

Ghamet loopt aandachtig langs de waren. Slenterend achter de vrouwen en hun mannen aan. De ene na de andere onverwachte aanraking. Stapvoets. Zijn maag rommelt harder dan het buideltje aan zijn riem. De drie munten maken nagenoeg geen geluid. Ghamet legt zijn hand er op. Gelukkig zijn ze er nog.

In zijn buidel zit een brief. Een naam. Ghamet heeft de opdracht meegekregen om zich te melden bij دروغگو [Derwegh']. De patriarch verwees Ghamet naar een Perzische handelaar in Egyptische artefacten. Deze waren kostbaarder dan de olie waar Derwegh' eerst in handelde. De artefacten waren kostbaarder dan het goud en edelstenen waar ze uit bestaan. De patriarch vertelde hem dat er veel te verdienen valt. Genoeg voor de rest van zijn leven. Het geld zal van hem alleen zijn. Schatgraven met toestemming van de staat en met dat van de eigenaar van de groeven. Vijfentwintig procent van wat hij vindt is voor hem. In natura.

Ghamet pakt de brief uit zijn buidel. Voorop staat alleen de geadresseerde naam, verder een verzegelde boodschap, alleen bedoeld voor de ontvanger. Hij zoekt de ogen van de druk schreeuwende couscous-verkoper. Zijn ogen zijn gericht op de man en vrouw die over de kleinste uitgaven naar elkaar vloeken. Zijn producten prijst hij aan, over de onrust heen.

Ghamet wordt genegeerd totdat hij zijn hand uitsteekt. De verkoper kijkt hem streng aan. "Eyh!", zegt de verkoper met een voor Ghamet niet te plaatsen accent. Het gelaat van de verkoper verslapt wanneer hij de brief en de naam er op ziet. "Daar! Wit huis, blauwe deur."

Een klein knikje met het hoofd is de eerste beweging van Ghamet om zich verder in de mensenmassa te begeven. "Maar," verzucht de koopman; "ik niet gaan, andere kant op beter, ver weg en nooit meer terugkomen." Ghamet neemt een volgende stap, loopt tussen de menigte door en springt op, terwijl diezelfde vrouw haar armen nog hoger verheft dan haar stem.

De schaduw door de doeken brengt die enkele graden verkoeling die voorkomt dat de mensen op de markt naar binnen vluchten en hun waren als verloren beschouwen. Het leven, het kwetsbare leven dat iedere dag worstelt met de elementen, zoekt in ieder hoekje een oase, een thuis. De uiteindelijke dood wacht geduldig op haar beurt. De overvliegende gier werpt een schaduw op de doeken; een kortstondige verkoeling. "!مرگ [mergk!]", schreeuwt de gevleugelde sikkeldrager uit. Ghamet voelt de rilling over zijn rug en het zweet loopt naar beneden.

De deur voor Gamet is hemelsblauw. De geur van verf verraadt de rijkdom waarmee het witte huis onderhouden wordt. De geluiden die ze vermoffelt verhullen de handel die er plaats vindt. Ghamet rust zijn hand op het zilveren handvat en de zware deur draait langzaam naar binnen.

Vanuit de deurpost overweldigen de edelstenen en het goud die in het zonlicht reflecteren. Artefacten uitgestald op de tafels, de groteren zelfs op de grond en de kleinsten in de lades afgedekt met een glasplaat.

Een gezette man prijst zijn waren aan, een torenhoge arabier luistert. Zijn kleding is het tegenovergestelde van wat Ghamet draagt. De fijne stof van zijn blouse reflecteert in de felste kleuren. Zijn wijde broek en tulband zijn spierwit.

"Deze juwelen komen uit de grafmijnen. In optimale staat." De handelaar kijkt vanuit zijn ooghoeken naar de ogen van zijn klant, terwijl zijn gezicht eervol gericht is op de ketting die hij vasthoudt; "en de prijs is goed. Eerlijk." Hij zwijgt. Hij drapeert de ketting op de marmeren buste op de tafel. "Het waren de laatsten die mijn zandloper bracht." Het elitaire gezicht werpt een korte doordringende blik naar de gezette man. "Hij heeft de groeve verlaten met zijn wel verdiende loon", zegt Derwegh' om iedere vorm van twijfel weg te nemen bij zijn klant, maar wanneer hij liegt zet hij zijn leugens kracht bij. Ghamet is op zijn hoede.

De lange man gebaart deze niet te willen en draait zich om en verlaat rustig het pand. Derwegh' doet niets om deze klant nog terug te winnen. Terwijl de arabier naar buiten stapt fluistert hij: "!يموت [yemwet!]".

Derwegh' antwoord met: "!زحف المواد [zhef alemwad!]" Nagenoeg gelijk vangen zijn ogen de ketting van Ghamet: "Kom hier, jongen. Laat me je hanger zien!"

Ghamet schuifelt naar voren. De handelaar pakt zijn loep en drukt zijn neus bijna tegen Ghamets borst.

"De meeste smaragden zijn diep groen, maar deze heeft alleen niet het typische blauw van een aquamarijn. Het beril bevat waarschijnlijk de elementen kalium, lithium, natrium, ijzer, chroom en vooral vanadium. Of een selectie hiervan. Hoe komt die anders aan zovele lichtschakeringen. Diezelfden als jouw ogen." Derwegh' kijkt Ghamet aandachtig aan. "Wat vraag je er voor?"

Ghamet schudt zijn hoofd. Hij trekt zijn hanger terug uit de begerende handen van de handelaar.

Derwegh' laat de betoverende kleuren van de smaragd, het unieke aan de artefact, niet zonder slag of stoot aan hem voorbij gaan. "Zo'n mooie hanger zou ik graag in mijn bezit willen hebben. Noem je prijs!"

Ghamet zwijgt. Vanaf zijn gezicht is af te lezen dat er altijd een prijs is te vragen, maar Ghamet komt niet op een getal welke de waarde van de herinnering aan zijn grootvader overtreft.

"Maar wat brengt jou naar mijn winkel?" Derwegh' kijkt Ghamet aandachtig aan, terwijl hij de brief overhandigt. Derwegh' vouwt deze open en leest. Na een korte stilte: "Een nieuwe deelnemer! Ben jij de zandloper die ik zoek?"

Ghamet knikt.

4. Van stof tot stof:

Een statige man dwingt met overtuiging het respect af van de bewakers van het omheinde terrein. Zijn kracht zit niet alleen in datgene wat hij in zijn handen houdt, maar ook in zijn woorden. Iedereen zwijgt. Zonder te vragen verzoekt hij de aandacht. Ziel-strelend laat hij de woestijnwind ademen voordat hij spreekt. Hij neemt de ongetekende gezichten in zich op die voor hem staan. Amper een paar meer dan zijn vingers. Hij knikt naar de bewaker die achter de jongens langs loopt. Een jongen zakt als een gesprongen veer in elkaar. De bewaker uit een repeterend toonloos sadistisch lachje. Ghamet kijkt snel weg en staart naar de grond.

Het blijft stil totdat langzaam een dun rood riviertje een weg baant tot aan Ghamets voeten. Het verzadigde woestijnzand neemt niets in zich op, behalve het dode gewicht dat op haar rust.

"Jouw vrijheid is beperkt tot hoe ver je voor anderen door het stof kan kruipen", doorbreekt de statige man de stilte, "Daarom zijn we hier! Hier hebben we de meeste en oudste stof. In deze catacomben zijn maar twee uitgangen: de ingang, hier bij ons, waar jij je leven en vrijheid moet kopen". Hij onderbreekt zijn rede om de sadistische lach van de bewaker als een opgehangen telefoon te laten echoën. Het geluid draagt zich verder, over de doodse vallei tot aan de groevewand en terug. "En de poort naar het dodenrijk. Allah is met jullie." Een eerste sprankeling respect ontvlucht de duisternis van zijn ziel. "We zullen maar hopen dat je voorgangers — de farao's, priesters, grafrovers en jullie collega's — genoeg hebben achtergelaten om één van beiden te vinden."

De mijnhoorn blaast. Ghamet verliest de focus op die ene zandkorrel en voelt de onheilspellende angst van de jongens naast hem. Gestresst kijkt hij, evenals alle anderen, om zich heen. De bewaker op de uitkijkpost heft zijn geweer de lucht in.

De mijnhoorn blaast weer. Een enkel schot volgt. In de paniek beginnen de jongens te rennen. De meesten rennen weg van de bruut getekende gezichten. Ghamet zoekt een plek in de opgejaagde horde. Eén enkele jongen vlucht de andere kant op, naar de toegangspoort om die nooit te halen: het tweede schot.

De jongens rennen voor hun leven. Door het rulle zand, langs de blokken steen, de groeve in, richting de ingang van de mijn. De mijnhoorn blaast voor de derde keer, gevolgd door een salvo. Stofwolken ontvluchten de grond waar Ghamet over rent. De jongen naast hem struikelt en schreeuwt het uit. Ghamet weet dat ze vanaf nu nog maar met zijn achten zijn. Hij rent verder, zo snel hij kan.

De ingang van de mijn ziet er uit als een verzameling drijfhout, door de jaren van woestijnwind weggeschuurd en vervallen. De kranen vertonen tekenen van voorgaande tijden. Tijden toen er nog de middelen waren om van gedegen materiaal iets te maken, terwijl de mijnwerkers nog helmen droegen voor hun eigen veiligheid. Toen er nog honderden archeologen vol respect door deze vallei liepen van de ene opgraving naar de andere. Vervlogen tijden, herinneringen aan hoogtij dagen, herinneringen aan een goede samenleving. Van dit alles is alleen nog maar het verweerde hout en verroest metaal over.

Ghamet blijft rennen. Hij houdt de mijnschacht in zicht. Zijn afdrukken in het zand vallen als inslagkraters ineen door de verwering van de natuur. Het woestijnzand verzwelgt alles wat haar verstoord, met iedere stap weer sneller. Ghamet valt. De grond onder zijn benen kan zijn gewicht niet meer dragen. Het zand voelt als water. Het streelt zijn benen en neemt hem over. Een laatste hap lucht vult zijn longen voordat hij kopje-onder gaat. Ghamet zakt diep weg in het zand. In de lange zandstroom verliest Ghamet het doel om naar toe te willen rennen uit het oog. Het zand laat geen zonlicht meer door en geen te onderscheiden weg terug.

Hij glijdt langs de wand. Het zand schuurt langs zijn huid. De rotsen scheuren zijn kleding aan flarden. Zijn gewicht geeft hem de vaart om over de hobbel te komen, in de zwanenhals van de zandloper. Met een klap wordt hij gelanceerd, valt en komt neer. Het zand laat hij boven hem achter zich. Alleen een klein stroompje voert hem mee tot aan de basis van de duisternis. Ghamet komt tot stilstand.

Het neemt vele tellen, vele korrels zand, die proberen over zijn hoofd te glijden, totdat zijn ogen gewend zijn aan de immense zwartheid. Een druppel bloed vindt zijn weg van Ghamets hoofd, over zijn wang, hals, schouder, langs het zwarte leren koord, over zijn borst, tot aan het zilveren vlechtwerk verwikkeld rond de smaragd. De smaragd geeft een zacht licht af. In de wervelingen van de aanwakkerende storm, ontluiken de fotonen aan de wolken stof. Een zwakke gloed doorbreekt alles.

5. Tombe van Horus:

Tekeningen aan het plafond worden doorbroken door de rotsen die zich er een weg naar beneden boren, tussen de barsten door. De opsomming van hiërogliefen vertellen verhalen, wijsheden en de verloop der tijd. Boven zich herkent Ghamet een kalender: een cirkel met symbolen, omringt met afbeeldingen van mensen en goden. Hij herkent er enkelen aan de omschrijvingen die zijn grootvader gaf, om zijn verhalen kracht bij te zetten en te verwijzen naar wat archeologen wisten. Het oog van Ra. Meerdere hoofden die lijken op die van dieren, de meesten van een valk, samen gegroepeerd, inclusief één die iets te veel van de rest afwijkt: Setesh omringt door verschijningen van Horus. Binnen de cirkel rusten sterren en een cartouche met een meervoudig gekronkel dat lijkt op een slang. De ovale omcirkeling bevat een naam. Het gekronkel van de slang herinnert aan Apep.

Onderaan het koepelvormig dak rusten twee zandpilaren naast een doorgang. Ghamet probeert zichzelf omhoog te werken, zonder weg te zakken in de hoop zand waar hij over naar beneden kwam, of weg te zakken in de pijn die hij over zijn hele lichaam voelt. Met iedere foute beweging, waarmee weer een lading zand over hem heen komt, voelt hij de bijtende pijn in de schaafwonden op zijn huid. Maar geen enkele pijnscheut overtreft die van de spontane migraine die het zwart voor zijn ogen maakt. Een migraine die hem bijna weer terug laat vallen in het zand, zijn wereldbegrip laat verliezen en hem verplicht deze worsteling opnieuw te beginnen. Hij heeft niet geteld, maar vermoed dat hij die strijd al een keer was verloren, wellicht al vaker. Hij bijt door spierpijn en kneuzingen heen om op te staan.

Ghamet strompelt naar de doorgang. De verweerde pilaren tekenen de restanten van twee wachters met valkenmaskers. Door de doorgang ziet Ghamet twee gelijke wachters, maar dit keer niet verweerd door het zand en de tijd. Die ruimte evenaart als een vergelijkbare koepel met gelijke versieringen en plafondtekeningen. Elf andere doorgangen, allemaal begeleid door ieder twee wachters. In het midden een plateau.

Met alle moeite sleept Ghamet zich naar het plateau en gaat op de rand zitten. De kleuren zijn helderder zichtbaar en het plafond oogt nog ongeschonden. Vermoeid en gebroken gaat Ghamet liggen. Met alle verwondering lijken de schilderingen op het plafond te leven. De kleuren veranderen van intensiviteit. De figuren bewegen met de progressie van de tijd. Het licht in de ruimte danst mee.

Banen licht vinden hun weg terug vanuit de evenredig verlichte koepel, tot in de smaragd. Ze trekt voorzichtig aan het koord om Ghamets nek. De hanger kruipt over het plateau. In een kuiltje komt ze tot rust. Langzaam ontluikt het licht een patroon aan het voorheen egale stenen oppervlakte. De symbolen en lijnen tekenen zichzelf in dezelfde stijl als het plafond. In het midden omlijst ze een cartouche, groter dan Ghamet.

De gehele oppervlakte van de cartouche licht op. Langzaam zakt ze. Het bed van licht reflecteert op de ontstane wanden. De smaragd trekt Ghamet voorzichtig naar de ontstane sarcofaag toe. Ghamet zet voorzichtig een stap in de uitsparing. Zijn voet rust op de vloer, kniediep. Na zijn andere voet gaat hij er languit in liggen. Al het aanwezige licht omringt en overweldigd hem. De verloren krachten komen langzaamaan weer terug in Ghamets lichaam. Ghamet sluit zijn ogen voor een ogenblik.

Het licht van de smaragd dimt tot een onderdompeling in de diepste duisternis. Verloren van het opgebouwde vertrouwen begint Ghamet de angst te voelen. Kleine pootjes lopen over zijn arm. De rilling over zijn ruggengraat verstijft hem. Binnen enkele tellen vermenigvuldigen de aanrakingen over zijn gehele lichaam. De gladde oppervlakten weerkaatsen de enkele foton aan licht dat er nog in de ruimte zweeft, radeloos opzoek naar een plek om te vluchten. In de weerkaatsing neemt Ghamet een angel van een schorpioen waar. Duizenden vullen als het gitzwarte galwater uit de kraan van een bad. Het peil stijgt, tot voorbij zijn schouders, zelfs zijn hoofdhaar. Ondergedompeld. Ghamet vreest verstikking nog meer dan gestoken worden.

Zijn ademhaling stokt, bevroren in tijd.

Zijn verstijfde lichaam luistert langzaam-aan naar de wegebbende schreeuw van angst. De rust die volgt bevrijdt hem, in gedachten, van de tintelingen, van de duizenden schorpioenen en alle angst. Hij voelt de kracht terugstromen in zijn lichaam, de controle over wie hij wil zijn, de lengte om zijn adem te tillen over meters ondergedompelde zwartheid. De smaragd luistert. Ze bevrijdt haar ingekapselde fotonen en doorbreekt de tintelingen tot een vloeibaar geheel. Ghamet durft zijn hand te strekken en de rand te grijpen. Hij heft zich op, om er uit te stappen, ongestoken, als een nieuw mens.

De duisternis heeft zich verruilt voor de hemel bij zonsopkomst. De sterren aan het plafond teken zich zoals Ghamet dat herinnert, tot aan het eind der tijden. Achter Orion doorbreekt een rood-oranje gloed. De parelketting-taille van de jager versiert met de dolk van Venus. Vier sterren op een lijn.

6. Orde:

"De ster die je draagt is een sleutel, een gift van Setesh, een vergeving en overwinning van zonden, een teken van waardigheid in het oog van Ra, een belofte gevangen in een valkenei bevrucht door Horus. En daarom ben je nu hier! Welkom."

Ghamet komt overeind. Op de treden van de tempel staat het tafereel die Ghamet eerst nog op het plafond zag. De lange witte gewaden reiken tot aan de grond. Priesters met een valkenkop gevormde helm omringen een priester met een Setesh-helm.

"Allah kent meerdere gezichten. Het goddelijke in de mens kent verschillende rollen, ieder met een eigen identiteit. Het Goede plaatsen we boven alles: het streven in ons leven, het morele kompas dat ons gefocust houd, hetgeen we vereren en waarderen in anderen. Wanneer we denken aan de zon — aan het pure licht — dan verheffen we dit in ons tot het goddelijke. Wij verheffen onszelf tot Ra: de vrome god die doet wat die moet doen en dient als voorbeeld."

De hogepriester komt naar voren, gebaart Ghamet om met hem mee te lopen en laat zijn gevolg achter zich. In zijn hand houdt hij een zandloper vast. In het met goud beschilderde ebbenhout rust het glaswerk waarin het fijnste woestijnzand stroomt. "Bovenin doet het zand wat het moet doen, ze is geordend en wacht op haar beurt."

Het ontstane kuiltje in het zand tekent de weloverwegen rust in de spreekwijze van de hogepriester. "Wij kennen ook de momenten dat het kwaad in ons de overhand neemt. Ook al willen we dat niet, streven we er naar om dit te voorkomen. Maar soms kunnen we niet anders! Soms weten we niet anders. Het kwaad dat we bevechten is als de slangendemoon Apep. Zoals het kwaad welk ons probeert te verhinderen het goede te doen, dat kwaad hebben we allang verorberd. En we hebben het pas overwonnen wanneer we het in kunnen zetten om het goede te verdedigen. Dat deed Setesh, ook al lijkt hij gevallen als god: te regeren over de woestijn, ook al voelt het vaker als de vrije val die het zand maakt met het verstrijken van tijd."

Gedurende de val van het zand maakt ze kronkelingen, wervelingen en alle andere chaotische bewegingen. Het zand is niet in controle over haar eigen handelingen. Van dichtbij is de orde niet terug te vinden, maar van een afstandje is de eenduidige stoom der tijd zichtbaar. "Zo lijkt Setesh het tegenovergestelde van Ra: de chaos en de orde."

"Het kwaad dat voorleeft in hem, in ons, daar kunnen we niet over spreken wanneer het zonlicht onze huid raakt. Pas wanneer het sterft, kunnen we herboren worden. Horus begeleidt je naar het dodenrijk. Hij geeft je vergeving en rust. In Allah, in ons, zijn alle drie aanwezig. Achter ieder masker schijnt hetzelfde licht."

In het onderste gedeelte van het glas komt het zand weer tot rust. Ze zoekt een plek in de nieuw ontstane orde. Daar wacht ze totdat ze weer omgedraaid wordt, waarna het proces weer van voren af begint. "Pas wanneer je overgaat van de chaos terug naar de orde zie je in dat het allemaal onderdeel is van hetzelfde systeem. Daar, tussen de dualiteit, zit een gebied waar het elkaar overlapt."

De hogepriester geeft de zandloper aan Ghamet.

"Ghamet, het was altijd de bedoeling dat je hier zou eindigen. Je bent uitverkoren om priester in de orde van Setesh-Ra te worden. Als zandloper overheers jij de woestijn van de chaos en tijd, de duisternis en angst. Maar juist ook het licht. Het goede in de mens. Het goede in jou. De ideale priester om mij op te volgen, zodat ik terug kan gaan en waardig sterven." De hogepriester zet zijn Setesh-helm af en overhandigt die aan Ghamet. Ghamet herkent zijn grootvader. Het licht overmeestert hem en langzaam vervaagt zijn aanwezigheid. De wederzijdse glimlach eindigt in het luchtledige waar hij stond, als een vergezicht in de diepte vanaf een rotsblok die hangt tussen de beide zijden van een ravijn.

De koude rilling velt hem.

— EINDE —


Legenda van vreemde uitdrukkingen en namen:

Arabisch - vanaf scene 1:
غمط
[Ghamet]
"neer kijkende", "maagdelijk offer", "drager van verdriet"
الله
[Allah]
de God van de islamieten
النطاق
[Alnitak]
النظام
[Alnilam]
en
منطقة
[Mintaka]
de parelketting: de drie sterren in het midden van de zandloper-vorm welke het sterrenbeeld Orion heeft.
!يموت
[yemwet!]
"sterf!"
Egyptisch - scene 2:
[Ra]
de schepper en Zonnegod
[Apep]
slangendemoon
[Setesh]
de god van de donder, woestijn en wanorde, broer van Osiris en Isis
[Osiris]
de god van leven en dood, broer van Setesh en Isis
[Isis]
de godin van liefde en betovering, zuster van Setesh en Osiris
[Horus]
de god van de lucht, oorlog en jacht en begeleider naar het dodenrijk, zoon van Isis en Osiris
Perzisch - scene 3:
ساعت شنی
[Sa'et Shenj]
zandloper
دروغگو
[Derwegh']
leugenaar
!مرگ
[mergk!]
"sterf!"
!زحف المواد
[zhef alemwad!]
"sterf langzaam een pijnlijke dood!" of letterlijk: "kruip door stof!"
به جای من
[Bhajas Men]
"in mijn plaats"