Het Blauwe Uur

Terwijl hij de deur uitliep, realiseerde hij dat zijn vermoedens waar waren. De gedachte waar hij mee speelde maakte hem gek. Gek van verrukking. Als een vage puzzel ziet hij de wereld om hem heen, maar weet niet hoe het ontstond. Het is een diepe zwarte afgrond, zonder herkenbaar einde, waar de gedachten als de storm in rond razen, met iedere windvlaag meer gek makend.


Onder het zachte licht van de volle maan, gaat hij zitten. Op de drempel, in de deurpost, grenzend aan de maagdelijke werkelijkheid, voelt hij de wereld in alle rust om hem heen. De heldere hemel verrukt zijn mentale en zintuiglijke ervaring.

En zo gaat zijn gedachte een nieuw pad op.

Als er nu een logica verborgen ligt in mijn gedachten, zal dan ooit die storm tot een halt worden geroepen? Zijn ogen sluiten, om niet meer de storm te zien, maar openen een beetje bij iedere ademtocht voor de schoonheid, die zichtbaar is aan de horizon. Achter de lang geleden verdwenen zonsondergang, gaat zijn focus naar het westen. In achtervolging van de zon, herinnert hij haar subtiele glimlach, de rust die ze hem gaf, de aandacht die hij pas bij haar leerde kennen. De herinnering van de zonnestralen vervagen in het licht van de maan en de sterren.

Weer even sluit hij zijn ogen; haar gelaat is daar gebrand voor eeuwig en ieder element van haar schoonheid verschijnt op zijn netvlies. De herinnering verandert zijn puzzel waar hij mee worstelt. Haar haren worden lange regels die alle feiten opsommen. Haar glimlach vertekent haar wangen, haar ogen, haar gehele gelaat. Maar is tegelijk ook het houvast dat hij nodig heeft.

De gedachten waaien verder, over het verleden en de toekomst, om toch nooit te stoppen. Lang verdwenen patronen verschijnen in zijn gezichtsveld. Het vele licht, dat als vlagen uitwaaien aan de nachtelijke lucht, in alle kleuren van de regenboog, vooral groen, blauw en paars, kleuren zijn gedachten. Hoe onwaarschijnlijk, maar juist vannacht voelt hij alle rust, vooral na de laatste schijnbare worsteling die hij met haar had.

Zijn emoties én zijn gedachten vallen allemaal op één plaats. Het is niet meer erg dat de storm door raast, omdat het juist alles in het juiste licht brengt.

Zijn gedachten razen verder van verlangen, verwondering en in de eenzaamheid voelt hij zich geborgen. Wel vreemd om te weten, dat de oneindige diepte van het hemelplafond, eeuwig doorgaat en is opgehangen aan maar een paar ontelbare sterren. Zelfs in de diepte zijn er patronen te zien die verhalen te vertellen hebben.

Hij waant zich weer in de oude fantasieën die hij had toen hij enkele oude Griekse mythen las. Ieder verhaal had een moraal en ook een onbereikbaar iets, dat hem juist vannacht weer in verleiding brengt.

Gefocust op die paar sterrenbeelden die hij ziet, is hij op zoek naar meer regelmaat: betekenis. Weer op zoek naar die orde, die verstopt moet zitten achter alles wat hij ziet. Iedere vertekening op zijn netvlies verandert zijn gedachten. En, het was toch waar? Dat wat ik verwachtte, die vlagen van verstandsverbijstering, die je verliefdheid mag noemen...

Stilletjes fluistert hij haar naam, alsof hij wil beginnen met een gebed gericht aan haar. De hoop om met haar te communiceren in deze eenzaamheid, de wens om de toekomst te kunnen manipuleren. De wens om de conclusies te kunnen veranderen, om alles in het heldere nachtelijke schijnsel te brengen dat de maan als waarheid kan brengen. Om de Melkweg over te steken als de Styx tussen de onderwereld terug naar de zoet geurende bloemenvelden, waar in de warmte van de zomerzon, de liefde gevonden, gedeeld en bedreven werd.

De onderwereld van zijn gedachten, bevroren en gepijnigd, verstoten in de eenzaamheid van de chaos, schreeuwt verder naar de Melkweg dat het in de weg staat. Een rechte lijn die de puzzel verdeelt in twee onopgeloste delen. Maar hij weet wel dat de één de pijn zal brengen en de andere de warmte van de zon.

Steeds verder zakt hij weg in het labyrint van feiten, conclusies, mispercepties en al dat andere dat ingevuld en gekleurd is geworden de laatste weken. Moet ik gewoon alles achter me laten, haar loslaten en verder lopen? Of vasthouden, vechten en grijpen aan ieder draadje dat het lot mij geeft... wachtend op de zonsopkomst op haar liefelijke gezicht.

Zijn verlangens bekruipen hem; als de gisteren gevallen sneeuwvlokken die opwaaien en het zicht op de groteske treurwilg verderop vertroebelen. De koude aanraking die op zijn gezicht zinnespeelt, laat hem realiseren dat, in het volle licht van de maan, de waarheid haar rol speelt aan de heldere hemel. De gedachten waaien uit over de heldere hemel, verlicht door het noorderlicht en zijn rust vindt hij in de groepen sterren die hem verhalen vertellen.

Maar de enige warmte die hij kan vinden, vindt hij in de herinnering van haar ogen, haar lach, haar schoonheid. Zijn gezichtsveld richt hij meer omhoog en meer naar het oosten; de nacht nadert al weer bijna haar einde. De sterren verdwijnen langzaam van het toneel van herinneringen. De grote diepte van onbeantwoord verlangen verdwijnt, terwijl het steeds blauwer wordt, steeds moeilijker om het contrast te herkennen.

Om even later te beginnen met het verkleuren naar paars, bordeauxrood, daarna bij het begin van het oranje, komen de eerste stralen over de horizon: de nieuwe dag is begonnen.


In alle stilte fluistert hij weer haar naam: (..). En zijn gedachten gaan langs alle verwonderingen die hij in haar persoonlijkheid vond, over de weg - die zoektocht - die hem zo stralend greep. Met één subtiel lief lachje was hij verkocht.

Het maakt niet meer uit. De ware betekenis die verstopt lag in het licht van de ondergaande volle maan wordt zichtbaar met de opkomst van de zon.

Een zachte streling gaat over zijn schouder en de zwoele duffe stem verscheurt de eenzame stilte. De warmte van de eerste zonnestralen, die de storm aan de hemel laten verdwijnen, nemen diens razende aard over en schieten als bezetenen over de reflecterende laag sneeuw voor zijn voeten.

Hij legt zijn hoofd op haar hand, die op zijn schouder rust. "Schat, kom je weer terug naar bed? Deel je liefde voor (φιλειν) Sophia (σοφια) , met jouw liefde voor mij."

Hij kijkt op, terwijl hij met alle blijdschap zijn ogen heel kort sluit en ziet in het licht van de opkomende zon weer die glimlach; die hij zag toen hij zijn ogen sloot. Haar ogen en haren spreken boekdelen, verteld met die glimlach op haar gezicht.

Met meer stralen dan die van de zon heeft hij lief. In de warme geborgenheid van de toekomst is de dag weer begonnen.