Drempelwaarden

pseudoniem: Diana Robola Aquila

Paul Harland Prijs 2014

<dag +6660: gisteren>

„Het zijn de knoppen die je in de gaten moet houden!"

Ik herinner het als de dag van gisteren. Mijn vader bleef het zeggen: "knoppen!" Voor mij was toen alles een computerspelletje, voor hem een kwestie van leven of dood. Mars was een betere bestemming, maar wij gingen naar het diepst denkbare in ons universum.

Voor mijn neus heb ik geen knoppen, geen beeld waar we zijn, alleen blind vertrouwen in de oogverblindende duisternis. De druk neemt toe per ademteug die wij afdalen. Je blijft slikken om de druk op je oren te neutraliseren. Ondanks het uitmuntende ontwerp van het schip voel je de omgeving op je inwerken.

Tijd staat bijna stil, het buigt af met de logica brekende zwaartekracht. Licht gaat even traag als wijzelf. De horizon is zo dichtbij en uiterst onhaalbaar, maar we zetten door.

Mijn vader was dé pionier in experimentele exo-kwantumfysica, of "de ultieme diagnoses-verzamelaar van het lokale gesticht" volgens mijn moeder. De berichten die ons achterna kwamen riepen op om haar zoon terug te geven in de meest liefdevolle krachttermen. De berichten werden met de weken minder. Niet omdat ze het niet probeerde, maar het licht — de drager van informatie — ging steeds langzamer, stroperiger. De afstand werd groter. Het blijft een kwestie van perspectief, want volgens haar vluchtte mijn vader sneller en sneller uit de werkelijkheid.

Mijn vader nam mij mee. Liefde noemde hij het. De zekerheid van het bestaan, want hij wist al te goed dat hij die reis niet alleen kon maken. Hij had iets puurs en onschuldigs nodig om hem zo lang mogelijk in de werkelijkheid te houden. Het blijft een onzekerheid hoe je bewustzijn reageert op andere natuurwetten. Helemaal wanneer je de DSM IX — de Bijbel waaruit men predikte in dat gesticht — hebt doorlopen. Nee, als zijn zoon kan ik zeggen: mijn vader was niet gek, hij was onbegrepen briljant!

Ik sta hier voor de drempel van een nieuwe werkelijkheid, een laatste horizon voor de mensheid. Jammer genoeg heeft mijn vader alleen het beloofde land gezien van ver, maar ik voel het van dichtbij.


<dag +6661: vandaag>

Ik hoorde gebonk, tegen de wanden, gekraak, geschuur. De snelheid van het licht verliest van de traagheid van mijn materie. De drempelwaarde nadert nu: [Q = 0]

Ja, nul!

Einstein kwam ooit met [ E = mc^2 ]. Op basis van de snelheid van het licht. Het uiterste maximum. De beperking van ons bestaan. Het uiterste aan de horizon. Het ultieme verband tussen energie en materie.

De realisatie bonkt in mijn hoofd. Oh, mijn God. Mijn hele lichaam, mijn werkelijkheid. Ik voel het kraken.

Wanneer [ Q ] langs nul schuurt... wat zijn de consequenties?

Zelfs mijn gedachten springen over minieme druppels van tijd:

  1. Er is nog bewustzijn bij [ Q = 0 ].

Het grondbegrip van Decartes blijft waar: cognito ergo sum <ik denk, dus ik ben>

  1. Ik ben niets en ben alles. Het licht neem ik niet meer waar en het licht mij niet. Wij ontmoeten elkaar niet want mijn snelheid is gelijk, of zelfs groter dan, aan de constante snelheid van het licht: [ s ≥ c ]. Waar ik ben dat weet ik niet; dat kan overal zijn. Ik ben overal.
  2. Energie en materie zijn uitwisselbaar. Ergens tussen niets en oneindig.

Wanneer [ Q ] gelijk wordt aan [ 0 ] dan gaat het bestaan over een drempel. De afstand tussen de Higgs-deeltjes is nul. Een ware samensmelting, een sprong in bewustzijn, een dans in natuurwetten.

  1. [ 0 = 0 x 0^2 ] tot [ oneindig = oneindig x oneindig^2 ]. Het is waar. Volledig onmogelijk, maar waar. Wanneer [ Q = 0 ] dan ben je in het bestaan, dat ik ken, overal.
  2. de drempelwaarde is de paradox van de natuurwetten. Een waarde waar algemene relativiteit raakt aan en kruist met bewustzijn, de eerst wet van Newton en kwantumfysica. Nu voldoe ik aan de thermodynamica onder het absolute minimum, onder de -0 Kelvin.

De rilling door mijn rug is daadwerkelijk van de kou.

Dat je bij maximale snelheid en energie zo'n fundamentele omslag kan hebben. Alleen theoretisch dacht ik altijd: de discrepantie van onmogelijkheid die je krijgt wanneer je [ 0^2 ] in een berekening hebt. De berekening twijfelt en het antwoord is in de uiterste staat van onrust.

Het gebonk is in mijn hoofd. Het schudt het bestaan. Het kraakt mijn gezonde verstand: het bewustzijn.

Mijn vader: stuur mij terug! Het schuurt de realiteit... stuur mij terug!

Ik voel mijn lichaam niet meer.

Denk ik nog wel in mijn hoofd? Heb ik nog een hoofd?

Ik voel het niet meer.


<dag +6662: morgen>

Alweer! De reis gaat moeizamer dan ik kan voorstellen. Wellicht ben ik nog altijd niet over de drempel heen.

Stoten, knallen. Materie versplintert in het oog van het zwarte gat.

De muren komen op mij af. Ik weet dat ze er zijn — ik hoor namelijk het gebonk en gekraak — maar ik neem ze verder niet waar. Ik zie ze niet, ik zie niets. Ik voel ze niet, voel mijn eigen lichaam niet meer. Het is... beangstigend.

Het voelt als een doodskist, drijvend op de eeuwige zee, onstuimig dobberend en ik weet niet waar ik ben, of waar ik naar toe ga. Het herinnert mij aan een verhaal. Een zeilboot die doelloos dobbert voor de kust met alle zeilen gehesen. Het water is rustig, maar alle tekenen aan de lucht beloven dat het om kan slaan. Ik voel mij als de kapitein die met zijn eigen rozenkrans vastgebonden is aan het roer, als het lijk dat een rechte koers probeert te blijven varen. Ik weet dat in de storm de kansen minimaal zijn om niet ten onder te gaan. De wateren zijn mij onbekend, de golven slaan zo heftig dat de zandbanken happen naar adem. Het alles verbrijzelende rif dat gepasseerd moet worden, maar ook de belofte dat daar achter een stadje ligt: een vissershaven. Dat verhaal was groter dan wat ik mijzelf nu kan herinneren, maar het gaat ook om de reis, om waar ik nu ben. Op de rand van ons bestaan, daar waar het licht niet meer ontsnapt. Het is de poort naar de hel.

<dag +6662, later die dag>

Ik herinner me meer: Het schip in de storm overleefd wonderbaarlijk. De roerganger is al enkele dagen dood. Het scheepslog opgeborgen in een fles, hopend te overleven en te drijven terug naar de werkelijkheid. Om zo uit te kunnen leggen van wat er is gebeurd met het schip en haar bemanning. Het vertelt van de afgrijselijkste paar laatste dagen. De woorden zijn op het verfrommelde papier uitgelopen. Ze waren met zijn eigen bloed geschreven.

Alleen. Ik leef nog — denk ik, twijfel ik. Ook ik vertel je over mijn reis. Een gedoemde reis. Ik heb de hoop verloren.

Ik weet nog dat het schip de wind vol in de zeilen kreeg, nadat ze verzuchtend iets van richting veranderde. In alle vaart stormde ze op de kust af, trotseerde ieder sprankeltje gezond verstand, over de ruigste zee die het vissersdorp ooit had meegemaakt. In volle vaart strandde het schip tussen de kerk en de visafslag.

Voor mij is er ook nog altijd hoop. In mijn logboek staat het verlies van mijn vader.


<dag +5427: aantal jaar geleden>

"Wanneer je in de ogen kijkt van de dood, het diepe zwart dat afsteekt van de helse vuren er omheen, dan rest er niets anders dan haar te omhelzen en je te verzoenen met het lot. Mijn zoon, ik heb je verteld over de vele keren ik haar gezien heb. Die onschuldige blonde haren, een glimlach waar je rustig van wordt, het geduld waarmee ze op je wacht."

Tijd wacht op niemand. Voor iedereen komt de dood met de tellen dichterbij. Mijn vader was al zijn halve leven op de vlucht. Eerst van mijn moeder, omdat ze hetzelfde vuur in haar ogen had wanneer ze boos was. De woede en bloedlust herinnerde hem aan de perioden in zijn leven dat hem de vrijheid was ontnomen. Die ogen herinnerden aan haar. Zij die hem iedere keer weer de werkelijkheid terug gaf en uiteindelijk aanspoorde de vrijheid te zoeken.

Mijn vader keek iedereen soms zo intens aan, net alsof hij zocht naar iets. Het gevoel dat je niets voor hem verborgen kon houden. Zijn handen rustte op je jukbeenderen. Vaak mompelde hij.

Daarna was het weer over. Dan praatte hij verder over het onderwerp dat hem het meest fascineerde. Over de ideeën die hem niet los konden laten. Zijn helderste waanbeelden, welke hij gedreven wetenschappelijk onderbouwde. Zo kreeg hij ook onze reis gefinancierd: blikken van eerlijkheid en omgangsverboden die goud waard bleken. Iedere sponsor hoopte van hem af te zijn. Zijn blik doorboorde het geweten en de verrotte ziel.

"Wie wil nou niet de eerste zijn die de randen van het universum bezoekt? Daaraan hebben bijgedragen. Eeuwige roem. Onuitputbare fascinatie. Het is maar een horizon die je verlegt, wanneer je eroverheen gaat. Bij voorkeur het ook nog overleeft."

Overmoedig als altijd dacht hij het wel te halen. Ver genoeg om de snelheid van het licht te kunnen behalen. Dichtbij genoeg om niet generaties te moeten wachten.

Op 15,9 lichtjaar was de Dracula-nevel — angstvallig vernoemd — een gasrijk gebied aan de zuidelijke hemel waar enkele net geboren sterren alweer het levensvocht werd onttrokken. Het gas tekent witte flarden, afgezet tegen de zwarte vleugels van vleermuizen, maar in het midden kleurt ze bloedrood. De druppels vloeien naar het alles-verorberende zwarte gat. De nevel heeft twee rode ogen, door de zwaartekracht afgebogen projecties. Ook zij kijken diep in je ziel.

Mijn vader speculeerde hoe het zal zijn wanneer je voorbij de waarneembare horizon ging. Omdat het licht het zelfs niet kon ontsnappen, moest je sneller gaan. In zijn berekeningen vergeleek hij het vaak met een draaikolk met één of enkele dimensies meer. Waar zou je uitkomen wanneer je door de trechter ging? Schepen vergaan wanneer ze in de grip van haar armen belanden. Syrenen zongen, verleidelijk, lokkend en wanneer je naar ze luisterde, niet meer kon stoppen, ontstegen de grootste doodschreeuwen. Schepen hadden maar één hoop: sneller te varen dan de stroming hun naar de bodem zoog. Het antwoord was snelheid.

De derde wet van Newton — iedere actie heeft een gelijke tegenovergestelde reactie — zou er voor zorgen dat je weer los geslingerd wordt. Hopelijk ongeschonden.

Zijn plan was om recht op zijn doel af te gaan. Volle snelheid. Onder de ideale hoek waar je niet tegen de stroom in gaat en ook niet wordt meegesleurd. Geen weerstand en geen grip. Recht op de kern af, met zoveel overgebleven snelheid om voorbij de maalstroom te komen en genoeg om te ontsnappen aan de syrenen die smeken om verlossing.

Zijn grootste angst was de dood. Niet haar ontmoeting, maar het definitieve.

"Ik zag haar zonet. Ze roept mij...", zei mijn vader die laatste keer.


<dag: +5428: de dag van de verdwijning van mijn vader>

"Ze staart me aan, diep in mijn ogen". Mijn vader kijkt naar de blinde muur. Hij blijft kijken zoals hij vaker deed. "Ik weet dat ze me ziet, ze kijkt ook naar jou".

Het is weer een aanval, zoals ik mij herinner van vroeger. Alleen mijn moeder is er niet om hem terug te sturen.

"Ik zie haar, ze staat gewoon voor me. Haar rode ogen kijken me aan, die rust, die heerlijke rust. Ze zegt dat ik er bijna ben."

"Pap, rustig maar, je bent veilig. Ze is hier niet."

"Jawel, ze kijkt diep in mijn ziel. Ze trekt me naar haar toe en laat me niet meer los. Ik vrees dat ik aan haar niet meer kan ontsnappen."

Ik draaide mijn rug toe en liep naar de medicijnkast voor een verdovend middel. Ik pakte Haldol. Zoog de spuit vol, tikte, en ontdeed het van het belletje lucht. In de reflectie zag ik het gezicht van mijn vader. Lijkbleek keek hij en schuimend hing zijn kaak. Zijn ogen straalden doodsangst uit.

Ik ben maar zijn zoon. Je mag toch niet van iemand verwachten dat je je eigen vader zo moet behandelen. Mijn vader was de laatste jaren stabiel, maar deze terugval had ik niet verwacht.

"Mij roept ze", zei mijn vader.

Tussen mijn overpeinzingen en voorbereidingen draaide ik me om. Mijn vader was er niet meer.

Verschrikt zocht ik haastig het schip af. Verstoppertje is een spelletje voor kinderen, maar mijn vader speelde het als de beste. Ik zocht, ik zocht, tot achter de laatste deur. De luchtsluis was vergrendeld.

Door het patrijsraampje zag ik een rode gloed en mijn vader niet meer. Hij was de laatste persoon hier bij mij op het schip.


<dag +6664: nu>

Sindsdien sta ik aan het roer. De rest van de bemanning was geleidelijk uit het leven gerukt. Ik tel de kralen — ieder een dierbare en de laatste: mijn vader — en zeg mijn gebeden, God verzoekend.

Het gebonk is in mijn hart. De storm raast. Ik kan alleen maar proberen koers te houden.

Gelukkig is de koers voorgeprogrammeerd. Mijn handen beven, mijn handen knijpen, mijn handen grijpen het roer vast. De materieschijf voelt als een ruwe zee. De aanwakkerende storm schudt mij heen en weer. Alleen met mijn handen weet ik dat de koers houd, in blind vertrouwen.

De oorverdovende geluiden planten zich voort, relatief sneller dan het licht. Binnen het schip blijven de natuurwetten werken zoals ik gewend ben. Geluid beweegt zich normaal voort en de gematigde zwaartekracht houdt mij verankerd aan de vloer. Hoe de natuurwetten aan de buitenkant van het schip veranderen en impact hebben weet ik niet. Eigenlijk wil ik het ook niet weten.

Met de wind in de volle zeilen ga ik recht op het doel af. De maalstroom probeert grip te krijgen. De multidimensionale golven slaan zo heftig dat de realiteit hapt naar adem. Het zwarte gat is hongerig en krijgt eindelijk te eten. Is er de kans dat ik dit overleef?


<dag +6666√2: voorbij de waarneembare horizon>

Vurig rood, diep doordrongen. Het verse bloed van de sterren kruipt door haar ogen. Opgezwollen lippen. Adertjes komen tot bloei en de wangen tot kleur. Aandachtig kijkt ze mij aan.

"Eindelijk. Eindelijk ben je hier."

Ik ken haar niet. Ze kent mij klaarblijkelijk wel.

Dat ik zie, weer iets zie, in het licht. Weerkaatsing, reflectie. Licht heeft zelfs de tijd om uit te breken in de fragmenten van het diafragma.

Ik was als het licht, snel, onstuitbaar en zelfs sneller en onbeperkt. Ik moet nu voorbij de drempel zijn, voorbij de maalstroom, voorbij de waarneembare horizon van het zwarte gat. Mijn snelheid is nu weer net zo onbetekenend traag als vroeger, thuis.

"Ik keek naar je uit. Hemel en aarde is bewogen je hier te krijgen."

"De hemel?", vraag ik. "Ik stond voor de poorten van de hel!"

"Daar ben je doorheen gekomen, als de koning die al zijn bezittingen mee nam, gekropen door het oog van de naald. Alleen hier vind jíj geen vagevuur."

"Had jij mij verwacht, opgewacht?"

"Ja, sinds je geboorte. Zelfs daarvoor. Smachtend."

"Waarom? Zelfs ik wist niet waar ik naar onderweg was, laat staan of ik zou overleven!"

"Dat wist ik. Ik heb je gered."

Haar ogen verruilen het vuur voor ijs, lust voor rust, en opwinding voor bedaardheid. Ze kleuren blauw, zo helder blauw als de schotsen ijs die van gletsjers afbreken, of de helderste hemel voordat de zon op haar hoogste punt is. Haar maagdelijk blonde haren dansen mee op de bewegingen van haar gezicht en de verkoeling die de ronde doet. Een lach als een engel.

Ik keek niet goed, niet veel verder dan de ogen die diep in mijn ziel kijken. Wanneer ik wel goed om mij heen had gekeken, dan had ik haar vleugels gezien. Ik had alleen oog voor het verfrissende licht dat mij aankeek. Het is onfatsoenlijk om niet terug te kijken, maar daarmee vooral ook een bevrijding van de muren die naar mij toe kwamen. Het blinde vertrouwen is verruild voor weten dat je bekeken en aanschouwd wordt.


<dag +6665⅚: de drempel van de waarneembare horizon>

De duisternis, de muren die op mij afkomen, ze stralen rust uit. Het voelt veilig, betrouwbaar. Het was mijn thuis de laatste paar maanden. Zo lang leven in totale duisternis en niets zien.

Er is geen ander gevoel te omschrijven als dat van een schipbreukeling, wellicht zelfs als één die door de eigen bemanning alvast in zijn kist was gelegd en te water gelaten. De meesten zouden direct naar de zeebodem gaan. Het zeemansgraf dat bedolven onder het water en zonder markering onvindbaar is voor iedereen. In nagedachtenis zou je normaal gesproken een tendere streling over het ruwe oppervlakte van het steen laten gaan. De vingers raken de letters die laten herinneren, ze laten voelen. Een zerk dat het lot afsluit.

Onvindbaar, voel ik de bodem onder mij. Iedere korrel een druppel van tijd. Ze komen binnen in willekeurige volgorde. Donkere korrels afgewisseld met lichtere, steeds lichter wordende korrels.

In welke tijd ik mij waan, dat weet ik niet. Het voelt als nu. Het voelt als vroeger, zoals de geschiedenisboeken mij dat vertelden. Het voelt als de toekomst met de ongebreidelde potentie die dromen kunnen hebben.

Een doodskist, aangespoeld op het strand, dat is het meest tastbare dat ik nu voel. Het zand dat naar binnen vloeit. Die muren die dichterbij kwamen en doorgingen tot nu. De muren werden tastbaar.

Met de tijd, waren het de korrels zand die zich verspreiden. Met de herinnering aan de maalstroom waar mijn vader over sprak. Met een alsmaar kleiner wordende wereld. Het laat mij zoeken naar de structuur van de werkelijkheid en ons bestaan. Is het niets meer dan een zandloper?

Gedachten kiezen ook alleen maar woorden die ik kan benoemen. Begrip zoekt de verbindingen die ik ken. Voor mij is de werkelijkheid dat ik aangespoeld ben. Schoongewassen door het water, gehard door de ervaringen op volle zee, dobberend in vertrouwen.

De verlichting vond ik terwijl de goden mij belachelijk maakten. Ze dreven de spot met mij. De deksel werd van de kist gerukt. Binnen het spontane licht zag ik de vormen, de schaduwen die over mij waakten. De doodskist is niet meer de beperking, maar de uitgangspositie.

De geluiden vergaapten aan mij en een hand gaf mij de kracht om mij te bevrijden. Mijn ademhaling schokte, haperde, stopte.

Ik ben ergens. Ergens. Ergens anders. Een plek die zo is zoals ik hem begrijp...

De schrik van wie ik was geworden, wat ik verloren had, mijn toekomst. Het zand ontglipt mijn handen. Ik kijk verbaasd hoe het gebeurt. De kracht in mijn spieren verdwijnt en mijn lichaam stort naar de vlakte. Het strand wacht op mij.

Voor even was ik niet daar, daar waar mijn lichaam was.

Haar blik in mijn ogen. Ze bevrijdde mij met een zachte zoen op mijn lippen.

<dag +6666⅙>

Ik sluit mijn ogen. Ik voel de vochtige warmte die blijft hangen zoals ook mijn gedachten. Haar schoonheid is op mijn netvlies gebrand. Haar geur is het enige dat ik ruik. Verlangen, geborgenheid en een enkelvoudig sprankje ware liefde.

Met mijn ogen open is de hele werkelijkheid zo wit als een leeg vel papier. Mijn woorden wachten nog steeds op het moment dat ze kunnen omschrijven met de betekenissen van vroeger, om de situatie van nu te verwoorden. Ik kan alleen maar denken aan haar schoonheid, haar genegenheid. Buiten mijn herinneringen is ze alles wat ik kan bedenken — waar ik terug naar kan grijpen.

Ze is niet meer hier. Niet op mijn lippen. Niet voor mijn ogen. Haar adem streelt mijn gezicht niet meer. Ik had alleen maar even mijn ogen gesloten. Daarna was ze weg.


<dag +6666⅗>

De feiten die ik weet — de kruimels die ik achter mij laat — de herinneringen, waarvan ik velen heb opgeschreven, die feiten, daarin heb ik alleen maar grip op de werkelijkheid. Ik was onderweg. Ik had een vader en verliet mijn moeder. Ik was een zoon. Ik werd ouder en wijzer, ergens rond volwassen. Ik werd alleen. Onderweg naar het diepst denkbare in ons universum.

Mensen kunnen niet verder kijken dan dat het licht informatie kan overbrengen. Mensen kijken naar de wereld om hen heen om die te begrijpen.

Ik zie wit.

Alle kleuren wit. Geen enkele toon grijs.

Ik zag eerst lange tijd niets. Mijn hersenen vertaalden dat tot zwart. Zwart omdat er geen licht meer reflecteerde in de wereld om mij heen. Het licht bereikte mij niet meer.

Maar ik zie nu wit. Alleen maar wit. Bereikt al het licht mij, of zijn de prikkels die ik ontvang niet meer te onderscheiden. Ze zijn niet te herkennen. Al het licht blijft op mijn netvlies staan.

De enige herinneringen van een beeld, dat zijn mijn eigen herinneringen en die aan haar gezicht. Maar ik zag haar gezicht tussen al het wit! Was zij dan het enige dat niet alles omvattend was, het enige dat niet mijn zintuigen bleef prikkelen, zoals iedere foton dat nu doet.

Nee, ze was anders: ze prikkelde mij meer. Ze was meer sensatie, meer contrast en daarmee werkelijk.

<dag +6667⅞>

Wanneer het licht ieder moment mijn netvlies bombardeert, onveranderd overprikkelt, ongewijzigd informatie aanvoert, ongevarieerd, hoe moet ik dan over tijd denken. Snelheid is een afstand afgelegd binnen een bepaalde tijdspanne. Duisternis treed op wanneer het licht de snelheid niet meer heeft om bij je te komen.

Maar het verblindende wit is het tegenovergestelde van duisternis. Zou de afstand tot al het licht dan verdwenen zijn, of is de tijd die verdwenen is. Dan zou al het licht — echt letterlijk al het licht! — op het zelfde moment bij mij binnenkomen, op alle momenten dat ik ervaar. Het zou kunnen betekenen dat tijd mij niet meer wordt opgedrongen.

Mijn vader die rekende de maalstroom uit. Hij voegde altijd meerdere dimensies toe. Meer dan alleen lengte, breedte en hoogte; meer dan drie dimensies. Tijd was ook behapbaar, want het manifesteerde in de veranderlijkheid, binnen een causaal verband. Die vierde dimensie, daar dacht ik altijd van dat die vergelijkbaar was met de eerste drie. Zou hij hebben ingezien dat de ervaring van tijd zou veranderen?

De ervaring die ik had, toen ze mij aankeek en haar lippen de mijne raakte, dat verliep in een tijdverloop dat ik toen al kon begrijpen. Het gebeurde. Alle beetjes gebeurde na elkaar.

Nu gebeurt niets. Nu gebeurt alles, maar ik ben er me niet van bewust. Alleen nu denk ik na.

Ik moet haar weer zien. Ik moet haar weer voelen. Ze mag niet verdwijnen, waar dan ook, ze moet weer hier bij mij zijn.

<dag +6668⅓>

Mijn ogen moeten wennen aan het licht. Mijn hersenen die leren om te gaan met de prikkels. Mijn gedachten zoeken naar betekenissen om mijn wereld te begrijpen. Ik krijg meer grip op de werkelijkheid. Ik zie schimmen binnen het wit.

<dag +6668⅗>

Ik zie grijstinten, soms een kleur. Zo nu en dan komt er een geluid binnen. Begrijpen doe ik het niet. Toch denk ik dat ik leer. Een mens past zich als één van de snelste dieren aan aan een veranderende leefomgeving. Ik pas mij ook aan.

<dag +6668⅞>

Ik zie iets, maar ze is er niet meer. Ze is niet hier. Niet hier in deze ruimte en tijd. Ik ben. Wellicht alleen maar omdat ik twijfel. Twijfel aan mijn zelfbeeld en de werkelijkheid. Twijfel de ware liefde ooit nog te zien. Twijfel of zij de ware is. Twijfel of ware liefde wel bestaat.

Er zijn genoeg gedachten die een illusie zijn. Welke gedachten met mij spelen, welke spontaan ontspruiten, welke mij ontsporen of juist beetpakken. Ik twijfel of ze niet allemaal illusies zijn.


<dag +6669⅙>

Vanuit het wit komen vormen en kleuren voort. Het beeld verhelderd en entiteiten worden wezens. Ze lijken op wat ik mij kan voorstellen. Andere kleuren, vervormd, een paar extra ledenmaten, of een derde oog — verder best menselijk. Ik zie vier personen om mij heen. De ene is duidelijk een vrouw, de andere een riant bebaarde man. Van de overige twee heb ik geen idee — waarschijnlijk ergens er tussen in. Ik weet het niet.

Ze kijken naar mij. Ik lig op mijn rug, kijk voor mij uit en om mij heen. Mijn hoofd beweegt moeizaam. Ik probeer mijn vingers te bewegen. Het lijkt alsof ze met elkaar communiceren. Geen geluid, alleen maar expressie.

Een lichaam heb ik nog wel — ik heb daaraan getwijfeld — maar iedere vorm van bewegen is moeilijk. Spierspanning voelt anders. Zenuwen geven andere signalen, juist al voordat ik een beweging wil uitvoeren. Zo nu en dan registreer ik een valse bevestiging: dan denk ik dat ik beweeg maar mijn ogen zien het niet.

Ondertussen kan ik ook meer bewegen. Vooral mijn linker hand doet het steeds beter. Zal dat komen doordat het viertal druk met mij bezig is. Ik neem wel veel expressie waar aan die kant.

"Ja, dat klopt", hoor ik. Ze heeft een zachte stem. In een lichte paniek reageren mijn gedachten.

"Rustig maar. Je bent in goede handen. Wij zorgen voor je", hoor ik van een ander.

"Tijd is een beweging die je moet leren. Je spieren lieten dat over zich heen komen. Je hersenen zijn beperkt voorgeprogrammeerd en ontwikkeld. Ze weten niet anders", hoor ik van de derde. Ik heb echt geen idee wat ik mij bij diegene moet voorstellen; wellicht een vis of een spinnende poes.

"Wij hacken rechtstreeks nieuwe routines in je motorische cortex en zenuwbanen. Wij verbinden die met patronen uit je dromen, die je al hebt doorlopen, maar waarvan je nooit gerealiseerd had dat je ze ooit nodig zou gaan hebben."

"Denkt hij dat hij kan vliegen?"

"Navigatie van een ruimteschip heb ik hier."

"Nee, gewoon zonder, zonder hulp, zonder machine."

"Hij... Zijn lichaam heeft geen vleugels. Geen enkele aanzet."

"Het kan wel..."

"Dan zouden we hem moeten helpen, ze voor hem laten groeien, maar hij is daar niet gemachtigd toe... volgens mij."

Dat was het moment dat ik met drie wezens achter bleef. Een engel was ik nooit, eerder een duivel, maar op een ruimteschip moet je wel in het gareel blijven — voor het algemeen nut van de bemanning.

"Zou ik een engel mogen zijn?", vraag ik hardop. "Mijn hart klopt sneller voor een engel. Ik herinner mij nog hoe ze mij zoende toen ik hier kwam." Daarna volgde de langst durende expressie-loze stilte die je kan hebben in een werkelijkheid met een vrij bewegelijke tijd-dimensie.


<dag +6678⅘>

Het voelt raar. Tussen thoracale wervel acht en negen, zo tussen mijn schouderbladen, daar voel ik een subtiel gewicht, maar ook een grote krachtbundel. De aanzet van de vleugels, zouden ze die hebben geplaatst? Ik was al op mijn buik gedraaid, de laatste keer dat ik sliep. Nu heb ik constant de aandrang om mijn rug te kraken, te bollen, aan te spannen, te verheffen. De willekeurige spierbewegingen kraken als een onervaren dief een kleine kluis — een mechanisme waarin kleine radartjes bewegen, sloten klikken in positie, de deur komt steeds meer in beweging — en daarin vind ik de gebruiksaanwijzing. Patronen om ze te bewegen en te gebruiken. Vleugels heb ik nooit gehad.

In mijn dromen, misschien. Toen kon ik vliegen. Vaak een superman; gewoon gaan, met een arm vooruit. Een arm die de lucht voor mij opzij boog, sneed door de surrealiteit die dromen konden hebben. Veel minder vloog ik met vleugels.

Vleugels wat moet je er mee? Engelen hadden die, en die kwamen alleen voor in de plaatjesboeken van het in de vergetelheid geraakte Christendom en enkele goden uit de Griekse oudheid. Ver voor de tijd van Michelangelo en de gebroeders Wright. Vleugels heb je nodig wanneer de enige voorbeelden die van vogels zijn, terwijl ze nog rondjes om je hoofd vliegen nadat je je hoofd stoot.

Aan vleugels heb je niets. Geef mij maar een straalaandrijving!

<dag +6692⅕ (naar schatting) >

Ze ontvouwen zich. Zwarte veren met veel dons. Mijn baardgroei is nu ook meer dan de gebruikelijke ochtendschaduw. Wellicht al een week of twee. De ziekenboeg is niets voor mij: tijd om te gaan kijken hoe ze werken en de wereld opnieuw gaan verkennen.

<dag +6697⅔>

Poging gefaald. Ik stond amper op mijn benen, spreidde de vleugels en zat direct tegen het dak. De smak was dubbel pijnlijk en daarna kroop ik weer terug.

<dag +6699¼>

Poging wederom gefaald. Dit maal strandde ik bij een gesloten raam.

<dag +6701⅙>

"Blijf liggen! Jouw lichaam is nog niet voldoende aangesterkt. Jij moet nog leren met alles om te gaan."

Luisteren wil ik niet. Ik plan al mijn volgende poging.

"Het is hetzelfde als met de spieren in je hand. Je moet ze weer herontdekken en zorgen dat ze goed communiceren, want daarna kan je ze weer gebruiken. Gebruiken zoals je gewend bent. Tijd blijft een beweging die je moet leren."

Tot nu toe dacht ik dat je vleugels kon en moest gebruiken om te vliegen, maar waarschijnlijk zijn ze ook te gebruiken om iets met de tijd te doen. Iets meer dan wat ik nu al heb ontdekt, dat ik met mijn handen en alle spieren in mijn lichaam kan doen. Dan zijn de vleugels maar een extraatje.

"Waarom heb ik vleugels gekregen?", vraag ik. Het blijft lang stil.

"Ware liefde beantwoord zichzelf alleen maar in gelijke vorm. Gedeelde zielen zijn elkaars spiegelbeeld. Zij zoende jou. Daarom heb jij ze ook gekregen, bij wijze van uitzondering."

Ik staar voor mij uit in de leegte.

"En die uitzondering ben jij. Normaal worden mensen geboren, leven ze, kruipen ze verder over de tijd, allemaal dezelfde richting op en sterven ze wanneer ze hun eindpunt bereikt hebben. Als lemmingen storten ze zich te pletter."

In die leegte, die ik mij voorstel, daarin zie ik de geboorte van twee rode ogen aan de zuidelijke hemel.

"Jij bent uitzonderlijk."


<dag +6711∛2 en dag -3102>

Mijn eerste vlucht. Ik concentreer mij op mijn verleden, mijn jeugd ergens toen mijn moeder nog gelukkig was met mijn vader. Iets voor mijn geboorte. Er is geen teken van mijn bestaan te achterhalen. Niet in hun leven en ook niet van mijn aanwezigheid nu.

Mijn moeder dronk thee op het balkon. Iedere dag, vaste prik, tussen vier uur en kwart over vier. Haar werkdag zat er weer op. Soms lag er een stapel toetswerken naast de koekjes en corrigeerde ze die met rode pen.

Mijn vader stapte uit de auto, een niet-gemarkeerde taxi en werd geholpen door de chauffeur om de koffer naar de deurpost te brengen. De chauffeur was in het wit gekleed. Mijn moeder liet haar thee verstillen en vloog mijn vader in de armen. Hij was weer thuis.

"Ze heeft mij weer laten gaan", zei mijn vader. Hij bracht de tranen van mijn moeder aan het rollen. Ongeremd rolden totdat ze eindelijk waren gestopt, opgedroogd en wel; "ik heb je gemist. Jij bent mijn alles: mijn gehele werkelijkheid."

Woorden waren schaars, net over de drempel, deur achter hun dicht en al snel waren ze beiden ook schaars gekleed. De datum van de krant las acht en half maand voor mijn enigszins vroege geboorte. Ik wikkelde mij in mijn vleugels en opende mijn ogen pas weer toen ik terug was.

<dag +6715∜2 en dag -666>

Mijn tweede vlucht. Ik concentreer mij op haar brandende ogen en verkoelende lippen, de diep geëtste herinnering, die laatste keer dat ik even gelukkig was. Zo eenvoudig als de eerste vlucht gaat het niet. Flarden van impressies en plaatsen vliegen voor mijn ogen voorbij. Tussen verblindende flitsen door zie ik iets. Korte beelden.

In het begin overweldigend wit, daarna gevolgd door alleen maar zwart, opgevolgd door de echo van de reis naar het zwarte gat. Mijn verleden, mijn herinneringen. Beeld voor beeld ga ik terug in mijn eigen geheugen. De eenzaamheid gevolgd door de rationele genegenheid van mijn vader en dan het vertrek met de tranen van mijn moeder. Verder terug in de tijd.

De tijd spoelt terug. Over het pad van mijn herinneringen ben ik opzoek. Die ogen, die lippen, die beperkte plaats in de tijd, de plek waar ik haar ooit ontmoet kan hebben. Buiten de rivier van het leven is het moeilijk zoeken naar de druppels die eindigen in de zee van tijd. Vroeger stroomde ik mee: één richting op. Nu ga ik de andere kant op en maak sprongen van de ene gedachtenkronkel naar de andere, afgewisseld met herinneringen.

De beelden blijven zich ongecontroleerd afwisselen. Ik zoek verder. Ik zoek verder alleen al omdat ik de weg niet 'terug' weet. 'Terug' is waar ik was en mijn vleugels kreeg.

Het beeld dat blijft hangen is de thee, verstild en helemaal koud. Dat balkon staat bijna symbool voor de kinderschoot. Mijn moeder vond ik daar altijd. Altijd maar niet vandaag.

Die ogen en lippen moet ik vinden, maar ik verlaat toch eerst het pad door mijn herinneringen om op zoek te gaan naar mijn moeder en mijn vader. Eerst mijn bestaansrecht, daarna de liefdevolle reden om te leven. Ik besta in die werkelijkheid — dat weet ik: ik was er zelf — maar om te vinden moet ik van het pad af. Mijn derde oog, die ene waar je mee kijkt wanneer je ogen dicht zijn en dagdroomt, die ziet mij een wegbanen naar een plaats waar ik alleen maar van had gehoord.

Een oud gebouw met een uitgestrekte tuin daar omheen, iets minder onderhouden dan je zou verwachten. Het brengt mij een ongewoon gevoel. Die mensen kijken allemaal diep door mij heen, diep in mijn ziel, op zoek naar onschuld en werkelijkheid.

Nog altijd in mijn vleugels gewikkeld weet ik dat ik onzichtbaar ben. Ik ben alleen maar een schim die in de schaduwen van het verleden komt kijken. De koude rilling van een sterfelijke die door mij heen loopt bevestigd dit alleen maar. Een stap door mij heen resulteert in een uitbarsting van krankzinnigheid — niet alleen bij hun, maar ik voel het ook. Iedere keer weer opnieuw. Een klein golfje van ongenoegen.

Het gras is groen, goed bewaterd en onlangs gemaaid. De zon bied voldoende warmte en de wolken periodieke verkoeling. Die mensen dolen doelloos rond, maar een enkeling vermaakt zich. Twee oude mannetjes zittend op een bankje met een schaakbord tussen hun in. Een derde praat tegen de rozen terwijl ze bijgeknipt worden. Een vierde tekent symbolen op het glaswerk van de ramen.

Dit moet het gesticht zijn, daar waar mijn vader geregeld was opgenomen. Die man bij het raam is mijn vader. Jonger dan ik hem herinner, zo ongeveer mijn leeftijd.

In de tuin heerst een benauwde stilte. Iedere uitspatting wordt direct beteugeld. Zelfbeperking om te voorkomen dat de broeders in het wit ze vroegtijdig naar binnen sturen of meesleuren.

De lange wijzer wijst bijna geheel naar boven. De klok op het kerktorentje van de kapel naast het oude gebouw is het enige teken dat de heersende vrede van korte duur is. De wijzer springt weer een minuut verder.

Ik zie mijn vader aandachtig kijken naar zijn krabbels. Ik herken ze maar al te goed. De route berekend door de maalstroom van een zwart gat. De multi-dimensionele realiteit van de waarneembare horizon. De drempelwaarde.

Hij kijkt aandachtig naar het glas. Alle resultaten neemt hij in zich op en schrijft ze over in zijn boekje. Na enkele momenten staren kijkt hij tevreden weg en werpt een blik op de klok die aftelt.

De stand van de wijzers staan hem niet aan. Hij draait zijn hoofd terug, knikkend, wiegend. Zijn arm gestrekt, met de markeerstift tegen het raam. Hij bonst er meer op dan dat hij schrijft. Sporadische strepen doorkruisen zijn aantekeningen.

De broeders komen met gepaste spoed hem tegemoet. Strepen vullen het glas. Hij krast verder terwijl ze hem tegen de grond willen drukken. Hij weerstaat de kracht van twee man. Twee forse mannen.

Het getik gaat ritmisch verder. Het glas begint te scheuren vanuit een barst. De torenklok slaat haar eerste slag van de drie. Mijn vader komt tot stilstand, tot rust.

Ik zie mijn vader op de grond liggen. Twee man die hem in bedwang houden.

Ik zie het glas in het raam. De lijnen, de krassen, de barsten, ze tekenen een beeld: een engel. Vleugels gespreid.

Het gezicht, lief subtiel getekend, slaat om als bliksem aan een heldere hemel. Die rode ogen gloeien. De furie kijkt mij aan.

Ik zie haar.

Mijn vader wist dat ze er was – hij tekende haar.

Zij kwam en liet mij vinden.


Mijn vader wordt meegesleurd, naar binnen, door de hal, de trap af naar het souterrain, door de gang, langs vele deuren. Iedere deur heeft een schuifluikje. Iedere deur is als een cel, verstopt achter een dikke plaat ijzer. Door de deur. In de kamer zijn alle muren en ook de vloer gestoffeerd, wit, zacht, wasbaar en steriel.

Mijn vader geeft zich gewonnen. Hij zit in het midden van de kamer, kijkt naar de lamp ver boven hem. Het felle licht herinnert nu nog aan de zon. De kamer weerkaatst al het licht.

Ik ga naast hem zitten. Ik waak over hem, zoals ik altijd deed na een terugval. In mijn vleugels ben ik nog altijd verborgen.

Een zoemende stroomstoot doorbreekt de geïsoleerde rust. Het licht gaat uit. De kamer is spontaan pikkedonker. Zwart.


Het licht gaat weer aan. Onze ogen waren gewend geraakt aan de duisternis. De hoeken van de muren komen naar je toe in de vaagheid die ze waarnemen. Na enkele tellen zien ze weer de werkelijkheid.

Een vrouwenstem zegt de naam van mijn vader. "Ben je weer tot rust gekomen?"

"Ja", zegt mijn vader; "kom binnen. Ik heb mijzelf weer hervonden."

Het hang en sluitwerk komt in beweging, de deur volgt.

Haar lange blonden haren glinsteren als zonlicht, terwijl ze binnen loopt. De helder blauwe ogen zijn een en al rust. Ze kijken mijn vader zeer aandachtig aan.

"Weet je nog wat er gebeurde? Weet je waarom je hier moest afkoelen?"

Je hoort mijn vader denken, teruggrijpen in zijn geheugen en illusie en werkelijkheid herbouwen tot een reëel begrip.

"Had je een toeval?"

"Nee, deze was anders. Heel anders."

Ze moedigt hem aan om verder te vertellen.

"Ik heb al weken geen toeval gehad. Rekenen en puzzelen geeft mij juist rust. Het helpt mij de wereld te zien zoals ze is."

"Maar wat was er dan, want wat je getekend had was niet hetgeen je in je aantekeningboekje had geschreven."

"Ik weet niet wat mij overviel. Een reflectie. Een aandrang. Eén die zo natuurlijk aanvoelde dat het de overhand van mij nam."

"Toch was dit een toeval, een ander soortige dan normaal. Wij zullen kijken hoe we je medicatie kunnen aanpassen. Ik zal je vrouw vertellen dat ze wat langer geduld moet hebben, want zaterdag ga je nog niet naar huis."

Mijn vader knikt begripvol.

"Tijdens je toeval zag ik hoe jij bezig was op het raam. Ik stond er achter. Wat mij beangstigd is dat je de twee broeders van je af bleef schudden alsof ze een paar vliegende insecten waren."

"Wat had ik getekend?"

"Een engel met gespreide vleugels."

"Dat is niet goed. Godsdienstwaanzin had ik nog niet."

De psychiater en mijn vader praten verder over dat wat was voorgevallen. Ik kan alleen maar begeerlijk blijven kijken naar haar ogen, haar haren, haar lippen.

"Wanneer je hier weer weg mag, dan moet je bezig blijven met je onderzoek. Tot zover ik het begrijp, ben je op het punt een aardverschuivende doorbraak te maken. Ook je collega en beste vriend vindt dat. Hij vermoed dat jij de eerste bent die voorbij de waarneembare horizon kan komen."

"Mijn aantekeningen vertellen mij dat ook. Misschien over een jaar of twee, dat ik zover ben. Dan is mijn zoon zeven."

"Je ziet hem snel." Ze kijkt mij strak aan, recht door mij heen. "Je hebt het gehaald. Door het diepst denkbare dal in ons universum, vind jij je geluk. Liefde houdt jou op de been en laat je doorzetten. Het is vergelijkbaar met jouw favoriete paradox: soms moet je de weg kwijt raken om je bestemming te vinden."

Ik sluit mijn ogen en voel haar lippen. De afstand is [ 0 ].