Doodvonnis van de Nar

Proloog:
De kou kruipt over mijn verstijfde rug. In de druppeltjes schitteren de eerste zonnestralen, waar de dauw in de afgelopen uren plaats heeft genomen. Gevoel in mijn benen mis ik. Mijn schouderbladen zijn vastgeroest. Als levende dode voel ik me gehangen. Versuft ontwaak ik.

Met de rijzende zon wordt het langzaam warmer en de geur van de rottende groenten en fruit onttrekt zich van de bevroren toestand in het blauwe uur. Verdrongen gedachten van de gebeurtenissen van de vorige dag hebben zich onder de stroperige laag pijn verstopt. Onbewust geraakt van het waarom, ben ik ontwaakt in de nachtmerrie waar wakker worden geen uitweg meer is. De twijfel van mijn verzwakte lichaam om te sterven worstelt in haar krankzinnigheid met mijn wilskracht.

Ik ben de man aan de schandpaal: Prins van geboorte, nar voor het leven.


"Zonderling! Jou is het zonlicht deze morgen niet gegund."

Het oude vrouwtje strompelde dichterbij. Gebogen over haar stok kromt haar rug en ligt haar hoofd diep in de nek.

"Heb je honger, mijn kind?"

Haar hand reikt naar de rotte opengescheurde tomaat. Met haar ene hand ondersteunt ze zich en voorkomt ze dat ze valt. De andere reikt omhoog, naar het verslagen gezicht.

"Hier, neem een hap!"

Voorzichtig benadert ze zijn gebarsten lippen. Zijn ogen zoeken de hare.

"Ja, die lust jij wel."

Ze versnelt haar beweging. Met een welgeplaatste klap spat de tomaat uiteen. De rotte zuur geworden rode smurrie druipt van zijn gezicht af. Hij knijpt zijn ogen pijnlijk verstijfd dicht.

"Jouw verdiende loon! Zonderling! Zonlicht is jou niet gegund... je had beter vannacht kunnen sterven. Dan had ik je gezicht gewassen met een spons en vers water. Dan had ik je lichaam gegeven aan je moeder."

Haar kromme rug strekt zich. Haar stok viel op de grond. Langer dan iemand haar herinnerde stond ze nagenoeg recht voor hem. Vuur in haar ogen waarschuwde voor wat komen zou.

"In kwaad zal jij sterven! De furie zal jouw hart ontnemen, je lichaam verscheuren en je ziel verdoemen. Je zult alleen zwavel ruiken, hitte voelen, kolen proeven en de eeuwige marteling en verdoeming zien en horen! Zonderling! Verstotene van de schoot van je eigen moeder, verdwijn uit mijn zicht, verdwijn uit het bestaan en sterf! Sterf wetende dat niemand je zal helpen! Sterf wetende dat niemand er voor je is... en sterf alleen!"

Ze spuugt in zijn gezicht.

Haar hand grijpt de linnen knapzak. Ze graait naar enkele tomaten. Met een grommende rochel van achter in haar keel ontvlammen haar ogen: De tomaten slaat ze op zijn schedel kapot.

"Zwijg, zonderling, zwijg!"

Haar hand glijdt langs zijn wang en grijpt zijn kin vast. Ze tilt zijn hoofd op. Met een vlakke hand slaat ze hem hard tegen zijn wang.

Hij kreunt van pijn. Een pijn die alle andere pijnen overtreft. Ze laat zijn hoofd vallen.

Haar handen openen de knapzak tot zover het kan en trekt het over zijn hoofd heen. Haar beide handen houden hem goed vast en schudden zijn hoofd alle kanten op.

Van vermoeidheid wordt haar ademhaling hoorbaar. Langzaam laat ze los. Rustig veegt ze haar handen af aan het schone linnen.

"Sterf!"

Ze spuugt tegen de schandpaal. Een laatste blik gunt ze hem nog. Ze bukt voor haar stok, draait zich af en verlaat de schandpaal met dezelfde moeite als dat ze deze naderde.


De eenzaamheid van het leven laat mij hier bezinnen. De stad ontwaakt... althans de geluiden van de mensen. Het leven gaat door.

Het plein vult zich met varkens, runderen en pluimvee. De handel van de weidse omgeving verzamelt in de kakofonie van klanken, stank en de sociale handelingen. De begroetingen, de omhelzingen en vooral de duistere boze blikken die men deelt met mij. Met een grote cirkel word ik ontweken, genegeerd en vervloekt.

De kleine kracht die mij resteert, ontlast mijn pijn. Verworpen noties van tijd contempleert de opklimmende zon. De verwondering klimt voort. Met angst voor wat komen zal, tel ik de slagen van de grote klok, afwachtend voor wat op het middaguur zal plaatsvinden. Na de finale elfde slag wordt het lot nog een uur verworpen.

Zullen mijn daden en toegeworpen beschuldigingen me daadwerkelijk de kop kosten? Zal de strafmaat de gevreesde zijn, of zal mijn moeder gratie hebben kunnen afdwingen?

§1. Ontwaken:
Het lot slaat de klepel. De klok slaat twaalf. Het plein valt stil. De stad zwijgt.

"Aanwezigen."

De raadsman zwijgt. Afwachtend kijkt hij de meester van de wacht aan, gevolgd door een kreet. De soldaten doen een stap naar voren.

"Burgers!" En de laatste fluisterende stem valt stil; "Aanwezige burgers, vandaag zijn we hier om de uiteindelijke straf te bepalen van de Zonderling. Zijn daden mochten hem vannacht al laten nadenken, in de eindige nacht te sterven en zijn pijn berouw tonen. En toch is hij nog hier, onder ons, om voor ons zijn lot te bepalen: Hoe moeten wij hem straffen? Is het voldoende, of verdient hij nog meer? En vooral heeft hij het recht om te leven of de plicht te sterven? Aanwezige burgers.. het proces gaat verder."

Hij doet een paar stappen opzij, zijn ogen zoeken de schandpaal en met een vaderlijke toon gaat hij verder

"Zonderling. Jij staat hier terecht omdat jij de kroonprinses hebt ontvoerd; de toekomst van dit koninkrijk bijna ten val heb gebracht. Jij bent verantwoordelijk voor de onrusten van afgelopen weken. Jouw daad heeft iedere man en vrouw dat een wapen kon dragen naar jullie laten zoeken. Jij hebt de woede van het volk, de woede van de adel en de tranen van het Koningshuis over je heen geroepen. Zonderling. Hoe heb je zoiets kunnen doen? Hoe heb je zo stom kunnen zijn? Of zit er achter het jonge masker een kwaadaardig meesterbrein en was dit een wrede daad om weer de macht over een rijk te krijgen! Was het jouw bedoeling om dingen te doen die tot de val van jouw vader heeft geleid? Was het jouw plan om deze vrede, schoonheid en voorspoed onder te dompelen in bloed, te bedelven onder haar eigen fundamenten en de hoop te verkolen tot het laatste beetje as. Zonderling. De vergelding op jouw daden vragen om je hoofd; twaalfduizend stukken goud. De beloning voor de vinder..."

Zijn stem verloor de vaderlijke gemoedsrust. Knisperende blinde wraak neemt haar plaats in.

"Demoon! In kwaad zal jij sterven! De furie zal jouw hart ontnemen, je lichaam verscheuren en je ziel verdoemen. Je zult alleen zwavel ruiken, hitte voelen, kolen proeven en de eeuwige marteling en verdoeming zien en horen!"

Hij stokt in zijn woorden, bewust geworden dat hij hier niet alleen is. Zijn geduld zoekt de menigte af naar iemand die hem zou kunnen verraden.

"Demoon!", hij herpakt zich; "Verstotene van de bescherming van je vader, verdwijn uit ons zicht, verdwijn uit het bestaan en sterf!"

De opzwepende menigte wil bloed proeven: "STERF!!"

"Sterf wetende dat niemand je zal helpen! Sterf wetende dat niemand er voor je is... en sterf alleen!"

De raadsman spuugt naar de schandpaal. De agressie van de menigte buldert en rottende groenten vliegen naar de schandpaal.

"In jouw dood zullen wij vrede vinden. Vraag dan om vergiffenis! Spreek! Schreeuw!"

De menigte bereikt haar hoogtepunt. In een verzuchting komen ze tot stilstand. Het volk zwijgt.

"Zwijg, zonderling, zwijg!"

De raadsman wendt zich af.


De mensen doen een stap opzij. Vanuit de menigte ontstaat een pad. De rode bonte jurk zweeft over de grauwe kasseien, de glinstering van de scepter en de kroon verblindt ieder voor het strakke gezicht van de koningin.

"Ælixan, heeft de zoon van Elisé, jouw beschermvrouwe, al niet te veel geleden?", zegt ze; "Het was maar een daad van dwaze verliefdheid. Wij geven toe; iets wat een prinses niet betaamt en zelfs ongeoorloofd is voor de toekomst van ons Koninklijk Huis. Maar in vrijheid liefde vinden en gelukkig zijn, is dat niet wat wij mijn dochter gunnen?"

Het gezicht van de raadsman verbleekt. De mislukking van zijn plan is aan hem af te lezen. Met de inmenging van de koningin in zijn farce, dat hij rechtspraak noemt, wordt zijn zeker gewaande machtspositie ondermijnd. Zijn adamsappel beweegt zichtbaar door zijn keel. Hij herpakt en vermant zich: "Uwe Hoogheid, liefde is het hoogste goed. Zeker in ons koninkrijk! Duizenden en duizenden zijn bereid om voor ons koninkrijk te sterven."

Hij maakt plaats op de verhoging voor de koningin. Uit het gebruikelijke respect maakt hij een buiging.

"Horen we niet deze Zonderling te straffen voor zijn daden?" Hij richt zijn hoofd naar het volk; "hem te laten sterven voor zijn misdaden tegen de toekomst van ons koninkrijk?"

De stilte wordt doorkliefd door het opbouwende rumoer. Met een enkele opgeheven hand van de raadsheer valt het weer stil.

"Zijn daden worden niet goedgekeurd. Ook het aandeel in de escapade van de kroonprinses hebben wij veroordeeld", zegt de koningin uit schaamte op bijna onverstaanbare toon; "en dat zeg ik als moeder."

Ze wendt haar hoofd ook naar het volk: "Hij is schuldig aan zijn daden!"

"Goed. Dan kunnen we nu overgaan tot de bepaling van de uiteindelijke..."

"En hij is voldoende gestraft!", onderbrak de koningin.

"Uwe Hoogheid, met alles respect, uw wetten schrijven de doodstraf voor aan iedereen die de kroon en de toekomstige kroon bedreigt. Deze daad van dwaze verliefdheid heeft de toekomstige kroon bedreigd. Laat staan dat de procedures nog gevolgd kunnen worden tot betreding van de troon door uw dochter."

De adem van het volk stokt. Uit de menigte vliegt een stuk rottende groenten naar de schandpaal. "Dood!", "Verkrachter!" en "Verrader!" zijn de kreten die zich losmaken boven iedereen uit.

"Orde!" stampt de raadsman. "Voor zover wij weten is het onwettige huwelijk niet bezegeld en kan de kroonprinses nog altijd als maagd de kroon en de scepter ontvangen in aanzien van de goden op haar eenentwintigste verjaardag en haar toekomstige man kiezen."

Een opluchting gaat door de menigte, met een voorzichtig gejuich komen de burgers weer tot de onderdanige rust.

"Daarom is Nando ook voldoende gestraft. De prinses heeft verteld dat ze zijn liefde deelt. Hem veroordelen tot de dood zal juist de toekomstige kroon bedreigen."

Ælixan zijn gezicht versteent. De brandende lava borrelt op door zijn aderen.

"Een prijs op het hoofd! De Heksenjacht! Een duivelsverklaring!", verafschuwt ze; "dat verdient een gerespecteerd lid niet van de hofhouding. Helemaal niet een prins in ballingschap, een gast van het Koninklijk Huis. Ælixan, stop met deze publieke vernedering! En laat de verdere straf en heropvoeding over aan ons."

"Uwe Hoogheid, de zonderling behoort u toe. Met uw gratie is hij vrij.. vrij om terug te keren aan het hof, als de nar die hij was."

De raadsheer vervoegt zich bij de beul en fluistert enkele instructies in zijn oor. De sloten worden geopend, de kettingen glijden uit haar ogen en de nekboom komt los te liggen.

De kapitein van de Koninklijke Garde loopt naar de schandpaal. "Hare majesteit wenst hem tot de volle maan op water en brood te houden in de kerkers."


Vervroegd begint de duisternis in te vallen. De donder kruipt op. Met de ketenen vast tegen de muur gebonden, kan ik amper een blik werpen uit de enige bron van licht. Enkele meters boven mijn hoofd zit een klein patrijspoortje, met tralies en de vrije wereld er achter. Het kleine beetje blauw aan de lucht wordt verdrongen door de wolken. Grijs, diep grijs.

De eerste bliksemflits verlicht de kerker. Rustig tel ik tot de donder te horen is. Zeven, acht en de donder schudt me op mijn grondvesten. Weer een flits. De dreigende geur van regen kruipt over de straten naar het patrijspoortje en vermengt met de muffe geur waar ik eindelijk gewend aan was geraakt. Weer een flits. De eerste druppels slaan neer en al snel verandert het in een chaos, een geruis, een slagveld. De donderslagen nemen toe: het onweer is los gebarsten.

De ratten piepen. Ze ritselen omhoog, over de balken, de kettingen en over mijn schouders. De patrijspoort is niet meer veilig voor de buitenwereld. De eerste druppels sijpelen naar binnen en al snel verandert het in een stroom van water. Aan mijn voeten voelt het vochtig aan. Het oude stof vermengt zich tot modder. Een opkruipende laag.

Het water blijft maar stromen. Al snel sta ik tot mijn knieën in het verfrissende water. Alles koelt af en vergeet de zonovergoten namiddag alsof het nooit gebeurd was. Weer de volgende flits, gevolgd door een lawine van regen, boldert de donder naar binnen. Onafgebroken slaat het neer, slaat het mij neer en blijft het water klimmen, voorbij mijn heupen.

Het water koelt me af, dreigt me helemaal te willen gaan omhelzen en vermengt de stank tot een soep. De verdrinkingsangst pruttelt in mijn lichaam met elk geklots en elke stukje huid en haar dat verdwijnt. Deze marteling vervolgt de verzwakking van afgelopen nacht. Nu hang ik in kettingen, overgeleverd aan de regen en de hoop niet een bliksemschicht in het stromende water te treffen.

Een trage rat zwemt naar me toe, kruipt bij mijn arm omhoog, snel door tot op mijn hoofd.

"We gaan als een zinkend schip ten onder", wil ik tegen de rat zeggen, niet wetende of het een vriend is, of een pijnlijke dood gaat worden. De natuur, de rat en de wegblijvende wachters tarten mijn geduld en beproeven mijn wil te leven... deze hel te overleven.

Als schrikkend uit een nachtmerrie stopt de bliksem, de donder en de regen. Mijn kin is nog net droog, maar mijn schouders verzopen. De tintelingen kruipen door mijn lichaam, de kracht verzamelend om als rillingen te vechten tegen de kou.

Het piepend geluid van bewegend metaal verraadt me dat iemand dichter bij komt. Het geritsel van de sleutelbos echoënd over het wateroppervlakte en tegen de muren. Het koude water gaat warm aanvoelen en het briesje langs mijn wangen vormen kristallen van mijn tranen. Een mist kruipt omhoog uit het water en de schemering twijfelt of het lichter moet worden of toegeven aan de duisternis.

Het licht van een kaars dobbert in een bootje, door de gewelven. De rimpelingen in het water bereiken mijn kin. Rustig tikken ze me aan en zakt het waterpeil voorzichtig om weer aan te tikken; iets harder dan de vorige keer.

"Nan.. do..", trilt diep door de doodse stilte. De kriebelingen in mijn nek verraden de angst die de duistere zoekende stem met zich mee brengt.

De rat zakt snel af, zijn nagels snijden door mijn rillingen en met een sprong verkiest deze het water.

"Nan.. do.. Jou had ik jaren geleden al uit jou leiden moeten verlossen."

Al de gehele dag heb ik mijn mond gehouden. Alles over me heen laten komen en gevlucht naar een plek waar mijn dromen realiteit worden. Waarom zou ik nu wel mijn demonen moeten confronteren? Alleen omdat iemand mij uit lokt te reageren en mij te voeden met angst en onwetendheid?

"Nando! Jij dwaas, je vader heeft je gemist; de afgelopen vijftien jaar. Heb jij hem ook gemist?"

Wie is deze stem? Wat heeft hij te maken met mijn vader? Gevoelens van wraak komen naar boven. Je ontneemt een jongen toch niet zijn vader, zijn koninkrijk, zijn toekomst!

"Nando? Wil je dat dezelfde handen dezelfde poorten tot de onderwereld opent?" De woorden drijven over het water tot aan de onderwereld; "zodat jij eindelijk bij je vader kan zijn?"

Het dobberende bootje komt dichterbij. De peddel valt keer op keer met licht gespetter in het water. Het kaarslicht vervaagt in de steeds meer opklimmende en verdikkende mist.


"Zo zielig; jij drijft hier in alles dat zelfs de ratten niet eten, terwijl Opus als de normaalste zaak ter wereld op jouw troon zit en regeert over jouw koninkrijk. Wat mooi; dat jij zo vroeg gevallen bent. Mooi werk! En wie moet daarvoor bedankt worden?"

Ælixan zijn verachtelijke glimlach strekt van het ene oor naar de andere. Zijn zwarte kaalogen zijn die van een raaf. Zijn neus is amper meer dan bot en een dun velletje waarmee zijn gelaat in ouderdom wegzakt in rimpels.

"O ja... mijzelf!"

Het gegniffel ontsiert de magiër.

Nando verbreekt zijn eeuwige zwijgen; "Verrader! Schoft! Hoe heb jij al die tijd mijn moeder kunnen voorliegen? Hoe heb je dit mij aan kunnen doen! En het vredelievende volk, mijn volk!"

"Gewoon, best gemakkelijk. Een leugentje hier, een verkeerd vallend kruidje daar en vooral de naïviteit van de mensen gebruiken voor mijn eigen plannen. Het leven gaat om macht. Heel veel macht!"

Zijn hand glijdt over het slijmerige haar van Nando, langs zijn wang en grijpt zijn kin vast. Hij tilt zijn hoofd op.

"Jij mag trots zijn dat jij nog leeft. Jij had gewoon op je achtste levensjaar kunnen sterven. Of al die momenten daarna. Zelfs bij de laatste dageraad."

"Was dat een vloek? Vanochtend en vanmiddag? Was je bang dat iemand je zou herkennen? Oud wijf!"

"Je weet nooit wie toekijkt. Macht is een delicaat duister spel. Hoe kan je domineren boven wilsvrijheid, wanneer je vergeet dat je wordt bekeken? Natuurlijk moest ik voorzichtig zijn. Mijn macht groeit. Alleen maar ten koste van jou. Jouw koninkrijk heb ik al. Nu alleen nog je leven!"

"En liefde? Is dat niet sterker?"

"Rustig maar, ik ben nog niet klaar. Evia, jouw liefje, ze zal er nog van gaan genieten. Mijn plan is nog niet voltooid. Wanneer jij sterft, zal haar hart breken. Ze zal je ziel wreken en verbitterd blijven. Met jouw leven zal ik dat van haar krijgen en dat van het gehele koninkrijk! En ze is zo onbeholpen onschuldig, fruitig en mals om verslonden te worden."

Nando spuugt. Zijn boosheid ontketent een sluimerende kracht in hem.

"Liefde zal winnen! Een volk in vrede, in samenzijn, in vrijheid, streeft naar het Goede. De kracht zit in de aantallen en de wens om te leven. Als de eerste tarwe zal het ontkiemen onder de sneeuw, zich loswrikken van de macht van de winter en groeien bij het eerste warme straaltje zonlicht. Liefde straalt als de zon. Liefde straalt bij de geboorte van een kind, bij een zachte aanraking, bij een glimlach. Liefde ontbrandt bij het kleinste zonnestraaltje als een niet te stoppen vuur."

"Rustig maar dapper prinsje. Je bent een dwaze nar. Hoe dan ook; in kwaad zal jij sterven! De furie zal jouw hart ontnemen, je lichaam verscheuren en je ziel verdoemen. Je zult alleen zwavel ruiken, hitte voelen, kolen proeven en de eeuwige marteling en verdoeming zien en horen!"

"Vuile magiër. Je hebt ook niet door dat woorden van macht geen kracht hebben over liefde. Jij bent dwaas."

"Het vuur is al begonnen te branden in je. Het zal je verteren. Wil je een bezoek van de beul hebben? Wil je uit je leiden worden verlost, voordat het te laat is? Hij kan er voor je laatste adem zijn, wanneer het water gezakt is."

"Oude man, ga toch heen! Slijt je seniele dagen naakt dansend onder de volle maan."

"Zonderling, ik verdwijn al uit je zicht. Blijf hier wegrotten uit het bestaan en sterf! Sterf wetende dat niemand je zal helpen! Sterf wetende dat niemand er voor je is... niemand die je lief heeft, niemand die je haat... en sterf alleen!"

Ælixan plaatst de peddel wederom in het water en verdwijnt in de dikke mist.


In de woede borrelt het water. Het verdampt en zakt langzaam weg. Nando staat nog maar tot onder zijn gordel in het water. De ratten zoeken langs de pijpen naar aangespoelde lekkernijen. De mist is weggetrokken. De maan fluistert door de kieren in de muren heen. Haar liefde reflecteert op Nando zijn klamme gelaat.

Het stilgevallen water komt weer tot leven. Met iedere rimpeling in het water deinst Nando beetje terug uit zijn verdreven bewustzijn, terug in de smerige realiteit van de ondergelopen kerker.

De rimpelingen dragen een stram klotsend geluid met zich mee. Zijn hoofd kantelt omhoog. Zijn blik stuitert over de mat-witte weerspiegelingen. De maan verlicht het pad naar zijn liefde. Zijn hart klopt voelbaar. De warmte komt terug in zijn ledematen.

Gedachten reizen met het licht van de maan. Als reflecties op het water, rimpelt de liefde van minnaar naar minnaar.

Haar witte gewaad, glinstert met het fluweel en de ingevlochten robijnen en diamanten. Tot boven haar enkels waadt ze door het water. Voorzichtig, met moeite haast ze zich naar hem toe.

"Ik heb je gemist. Ik ben zo bang voor je geweest, bang voor ons, bang je te moeten verliezen. Ik hou van je."

Ze omhelst hem als een kind dat verdwaald was in de oneindige grotten en weer terug thuis is.

"Ik mis je ook. Was het al maar volle maan, dan kon ik je strelen. Dan kunnen we baden in de vijvers. Het schone water, de kruiden, de mineralen. Verlost van de smerigheid die me hier bekruipt."

"Overmorgen, Nando, dan ben je vrij. Dan mag je weer gewoon bij mij zijn!"

"Er is wel veel veranderd, Evia, waarschijnlijk zullen we niet meer zo onbezonnen als kinderen kunnen zijn. Ælixan wil de macht grijpen. Hij heeft ook mijn vader vermoord."

Zijn woorden kruipen als de rijzende mist op haar schoot. Haar hart luistert naar de gruwel van haar geliefde.

§2. Opstaan:
Met de dagenraad druppelt de tijd verder in haar bestaan. Geketend ontwaakt Nando op de laatste dag voor volle maan. Het vooruitzicht op zijn vrijheid is een bevrijding van de verdrukking. De duistere gedachten overheersen hem niet meer met de stank dat door de ratten wordt gerespecteerd. De kwelling voedt hem al vanaf zijn jeugd, maar nog nooit eerder is hij er bewust van geweest. Zijn halve leven is gevormd bij de hamer die zijn hart smeedde tot een zwaard en tralies. De verbittering proeft hij op zijn droge tong.

De wissel van de wachten gaat gepaard met het gebruikelijke gerinkel van de sleutels. Commando's weergalmen door de kerker. De bevelen gaan verscholen tussen het piepen van het vers roestende ijzerwerk. Nando opent zijn ogen. De onomstotelijk herkenbare gestalte van de dag ervoor staat onbewegelijk voor zijn neus. Een ogenschijnlijke lieve glimlach lijkt zich te ontsnappen aan de grote puntige zwarte kap.

"Nando, hoe lijd jij in je leven? Verblijdt jou de dood?"

Naargeestig verlieten de woorden de lippen van de beul. Zijn ervaring van de beide einden van de eeuwige slang, stralen duidelijk de rust uit waarmee wedergeboorte en wedersterven in dezelfde adem genoemd worden.

"Een gezamenlijke vriend van ons vroeg mij of ik je nog een laatste bezoek je wou brengen. Zijn woorden spraken over een eervolle vrije keuze en die keuze is aan jou. Of ik nu word betaald om de dood te brengen namens het koninkrijk, of op het verzoek van de stervende zelf... met de ruime vergoeding in goudstukken die ik al heb ontvangen ben ik zelfs bereid om een dansje te doen, wanneer dat wordt gevraagd."

"Een dansje? Is dat de marteling die ik krijg wanneer ik kies te leven?" zegt Nando gekscherend; "Natuurlijk wil ik blijven genieten van de voorstelling des levens, de toekomstige vrijheid, de hoop voor dit koninkrijk en de liefde en de glimlach van Evia."

"Dat zijn goede redenen om te blijven leven."

De beul wendt zich langzaam af. Zijn voeten schuifelen teleurgesteld. Het heft van zijn bijl tikt met iedere stap op de stenen vloer. Enkele van zijn gedachten ontsnappen zijn lippen: "Ik heb nog nooit zo makkelijk verdient. Niemand waardeert meer mijn talent en toch heb ik meer goud dan Magere Hein."

"Bedank de vriend maar voor zijn barmhartige offer. Misschien had hij zich in zijn woorden vergist. Die oude man wordt seniel. Had hij niet graag zelf dat aanbod gehad?"

"Zonderling, wees voorzichtig met wat je zegt. Hij is een machtig man. Ik waarschuw je maak hem niet boos! Een volgende keer kan de doodsverwensing niet meer eervol worden afgeslagen. Wees voorzichtig!" De beul verlaagd zijn stem tot een fluistering en zoekt het oor van Nando; "Je weet nooit wie meeluistert. We zijn hier niet meer alleen..."

"Garnalf!" schreeuwt de prinses bij het eerste zicht van de beul bij haar geliefde; "Arresteer de beul!"

De pracht en praal van het kostuum golft mee met het zwaarlijvige lichaam van de lijfwacht van de kroonprinses. De kapitein van de Koninklijke Garde werkt behendig zijn zwaard tussen het blad van de bijl en Nando. De bijl valt krachteloos op de grond. De beul verzucht van verbazing. Met een kleine aardverschuiving wordt hij tegen de grond geworpen en overmeesterd door Garnalf.

"Ik had nooit verwacht dat Ælixan zo snel, zo diep zou zakken en bovendien anderen zijn vuile werk laat uitvoeren. Bevrijd Nando en keten de beul!"

Nando zwijgt. Zijn glimlach spreekt boekdelen, gebonden in de kaft van verliefdheid. De glinstering in zijn ogen, zijn begeerte, zijn onrust smeekt naar haar tengere lichaam vast te houden. Het laatste beetje geduld beproeft, overwinnen hun lippen de biceps van Garnalf die ontketend. Zijn vervroegde vrijheid ontlast zijn juk.

"We moeten Ælixan oppakken, voordat hij meer schade doet! Onherstelbare schade!"

Garnalf geeft Nando zijn zwaard. De twee duiven vliegen, gebonden in elkaars handen, de kerker uit. Nando volgt de hoogvliegende strijdlust gehoorzaam. Zijn voeten volgen de hare.


De voetstappen trillen over de plavuizen en trappen van het kasteel. Donderende woede voedt de zoektocht. Verbijsterde gezichten verstenen. Het hof komt tot stilstand, op het punt waar het breekt van de schokgolf van het razende drietal.

"Hij moet ergens zijn!"

De deuren slaan open en de vertrekken worden gelezen.

"We zijn bijna bij zijn torenkamer. Hopelijk is hij het kasteel nog niet ontvlucht", hijgt Evia.

Nando probeert de onsuccesvol de deur te openen. Garnalf slaakt een lange kreet en overdonderd zijn achterstand. Zijn volle gewicht ontwricht de scharnieren en het hout van de deur versplinterd. Om de kapitein stijgt een trotse stofwolk op.

"Welkom! Nando en Evia, konden jullie het niet alleen af?"

De trotse dappere held komt in de jonge man naar boven. Hij wijst het tengere meisje naar de veiligheid van haar beschermheer. Onverschrokken stapt hij op de in schaduwen verhulde gestalte af.

"Je plan om de beul op me af te sturen is mislukt!"

"Integendeel! Jij bent nu hier. Wat kan een oude seniele man nog meer wensen... wat anders dan een kind volwassen te zien worden voor zijn ogen? De grootste les om te leren heb je geleerd. Vanaf vandaag zal je in gaan zien hoe de wereld werkelijk in elkaar zit. Liefde? Je denkt dat het er is, geniet er van, kijk haar aan en zeg dat je van haar houd. Wijsheid? Dat zit hier in. Macht? Dat zit in het verborgene. Langzaam openbaart het zich en hoe je het brengt. Magie en vervloekingen zijn alleen maar krachtige woorden. Kruiden kunnen een mens het leven ontnemen. Maar de werkelijke macht zit in dat wat openbaart, jaren broeit totdat het ontvlamt. In jou zit iets sterker dan liefde en sterker dan elke macht."

Ælixan legt het boek neer: "Mijn petekind, dit is voor jou. Hier zul je de geborgenheid in vinden die je zoekt; de waarheid waarin jouw vader faalde, maar jij zult slagen. Mijn taak is volbracht."

De magiër kijkt op, door de loden glazen ramen, naar de vleugels die zich uitslaan hoog in de wolken.

"De enige geborgenheid die je als mens nog kent is dat iedere daad wordt vervolgd, dat iedere rechtspraak met liefde wordt vergeven en dat het verleden wordt geborgen in liefde", antwoord Nando met brandende ogen en knijpende handen.

Zijn zwaard snijdt door de verwikkelingen met de werkelijkheid en eindigt voorbij de magiër zijn hart. Zijn gewaad daalt neer op de grond. Alleen nog de in as gelegde schaduw verspreidt zich op het eeuwige briesje naar de kust. Verlaten van dieren, begroeiing en ieder teken van leven. Zelfs de wolken blijven weg. Verlaten van al het leven. Over de dorre vlakte, kleurloos in het meest vreemde matte zwart en oorverdovend stil vlucht zijn verdoemde ziel over de Verlaten Vlakten van d'Ziaël.

Epiloog:
Mijn eigen hartslag zijn de slagen van de klok, het gedonder in de opkomende wolken, waar mijn adem de wind ving in haar eigen storm. De vlakte openbaart zich later, pas wanneer de gedachten met de angst neerslaan als sneeuw. Eerst was mijn angst om achtervolgd te worden werkelijkheid, maar de irritatie van alles dat mij in de weg zat wordt vervangen door een gierende energie die mij door laat gaan, zonder om te kijken. Ja, de vlakte openbaart zich pas later. Met de stralende glimlach van Evia wordt de vuurtoren verlicht. Het baken op de grens tussen de uitgestrekte zee en de vlakten. Ze verlicht de wereld met liefde tot voorbij de grens van mijn bestaan.