Flikke Fouter Fikke Fluiter

De Vuurvlinder

geschreven voor Fantasyval 2013

pseudoniem: Fauke Flikkelantier

Onder een steen, verstopt, in de warmte die nog even bleef hangen na de zonovergoten dag, daar was het begin van mijn broertjes en zusjes, en ik. De maan speelde met ons hetzelfde spelletje. Wij waren allemaal bang voor de hermelijnen die door de uitgestrektheid van de hemel wolkten en bries tussen de bomen door op onze onschuld jaagden.

De angst verruilde zich voor tranen en pas toen begon mijn wandeling door het leven echt. Eerst spoelden we weg, daarna vluchtten we, wegkruipend, doorweekt, rennend, eenzaam, verlaten. Een stappenconcert in ieder tempo, in iedere richting. Ik was verloren. Ik ben verdwaald.

Ik wandel via de zonsopkomst, over het hoogst van de dag, kort rustend bij zonsondergang en door de diepe nachten. De mooiste gedachten zijn in het licht van de maan. De echo die weerkaatst tussen de wegebbende herinneringen van gehuil van mijn broertjes en zusjes. Mijn wandeling gaat verder.

Langs de rotsen, over de weide, met mijn tenen tippend door het beekje, om de bomen die tot in de hemel reiken, door het zand dat blijft plakken. Mijn bezwete lichaam schuurt. Van een ruwe bolster tot een glanzende parel. Door mijn wandeling word ik wie ik moet zijn.

En de honger! Blaadjes, blaadjes en nog meer blaadjes. Van het jongste groen tot het — wie lieg ik eigenlijk voor? — en nog meer jong groen. Alleen maar eten.

Maar vandaag ben ik vol.

In het dorre hout span ik een draad en vlecht mijn bedje. De opkomende slaap sluipt onder het pluis en de bloesem. Weet jij hoe je vanaf je geboorte wandelt door een droomwereld? Een wereld die iedereen de werkelijkheid noemt, iedereen behalve ik! Op het moment dat ik slaap kan iedereen leven. Wanneer ik ontwaak, begint voor iedereen de eeuwige slaap.

Ik slaap nog een week.

Op de eerste dag verdwijnen de wolken. De dag daarna droogt het beekje op. Halverwege de derde dag begint de zon pas echt te bakken. Aan de warmte onttrek ik alle energie. De zon brandt maar door. Pas in de laatste nacht slaap ik onrustig.

Het verblindende oog van de zon kijkt toe wanneer ik de warmte van mijn wieg verlaat. De eerste paar stappen zijn nog zwak en mijn nieuwe lichaam voelt nog nat aan. In haar stralende goedkeuring berust ik.

Het dorre hout wordt me te warm onder de voeten. Elke stap te heet. Alleen het luchtruim kan me bevrijden. Ik spreid mijn vleugels. In de eerste neerwaartse beweging ontvlamt mijn geboorterecht. Mijn werkelijkheid is zoals ik: omarmd in een bal van vuur.

Tussen het dorre hout lichten de schaduwen op. De takken vervliegen tot as. Uit de duisternis ontstijgt een vuurzee. Het luchtruim is vloeibaar geworden in de razende chaos. Mijn broertjes en zusjes stormen om elkaar heen. De hermelijn en de andere dieren in het bos verliezen hun hoop en wij onze onschuld.

De angst heeft geen grip meer op mij. Ik heb het weggegeven, achter me gelaten. De enige rijkdom die mij nog rest in de vlammen van het vervliegende goud, is dat ik weet wat mijn werkelijkheid is — wie ik ben.

Ik ben een vuurvlinder.